Vereniging van universiteiten Lange Houtstraat 2 | Postbus 13739 | 2501 ES DEN HAAG | T: 070-3021400
Goede aansluiting levert meer op dan alleen studiesucces
Een student Natuurkunde die de docent in het voortgezet onderwijs assisteert. Of een onderzoeker van de VU die leerlingen van het vwo betrekt bij onderzoek naar de beeldvorming over het koningshuis. Maar ook de docent Duits uit het voorgezet onderwijs die een speciaal programma volgt aan de universiteit en de beta-docent die de mogelijkheid krijgt te promoveren. Het zijn allemaal voorbeelden van projecten die ervoor zorgen dat de aansluiting tussen vwo en wo beter verloopt. De projecten kenmerken zich doordat ze zich niet alléén richten op de studiekeuze van leerlingen. Ze gaan ook over de vakinhoud en over uitwisseling tussen docenten. En dat dat meer oplevert dan studiesucces voor de leerlingen, bleek recent op een VSNU- bijeenkomst.
Als je je vwo-diploma hebt gehaald verwacht je dat je de overstap naar de universiteit gemakkelijk kan maken. Voor een grote groep is dat ook het geval. Maar voor een kwart van de leerlingen blijkt het eerste jaar toch moeilijker te verlopen, zo blijkt uit de cijfers. Een deel hiervan (14,1%) kiest in het eerste jaar uiteindelijk voor een andere wetenschappelijke opleiding, een ander deel gaat naar het hbo (6,9%), en een klein deel verdwijnt helemaal uit het zicht (3,7%). Dat een op de vier studenten niet op de goede plek zat in het eerste jaar riep om actie. De Vereniging van universiteiten (VSNU) heeft daarom vorig jaar afgesproken hier iets aan te gaan doen. De universiteiten willen het studiesucces van studenten in de bachelorfase verbeteren, onder andere door de aansluiting tussen het vwo en de universiteit te verbeteren zodat vwo-leerlingen beter weten waar ze aan beginnen als ze voor de universiteit kiezen.
Op de bijeenkomst van 22 mei jl. in Utrecht waren docenten van het vwo en de universiteit, maar ook studenten, bijeen om ervaringen uit te wisselen van projecten die de aansluiting verbeteren. Bij het ‘Bèta 1op1’ project bijvoorbeeld worden studenten ingezet als mentor van vwo-leerlingen waarbij ze ook de docent assisteren bij practica, excursies en lessen. Niet alleen voor de vwo-leerlingen en de school is zo’n project nuttig, voor de studenten is het ook een manier om te ruiken aan het onderwijs. Bij sommige werkzaamheden geven ze klassikaal les en doen zo ervaring op als leraar. Daarmee willen school en universiteit bereiken dat meer studenten bewust kiezen voor het onderwijs. De studenten zelf geven aan dat zij het belangrijk vinden dat er meer mogelijkheden komen om een vakinhoudelijke verdieping te combineren met lesgeven. Het zou bijvoorbeeld mooi zijn als dat kan in een aio-baan.
In andere workshops werden ervaringen gedeeld over de samenwerking tussen vwo-docenten en universitaire docenten. Belangrijk vond men dat de samenwerking van twee kanten komt en dat er sprake is van gelijkwaardigheid. En het vraagt veel tijd, motivatie en inzet van beide partijen. In de praktijk gaat het dan vaak om scholen die openstaan voor innnovatie, zo is de ervaring van de Vrolijke School en het Junior College in Utrecht. In de praktijk blijken dit vooral scholen te zijn die open staan voor innovaties. Zowel van de kant van de vwo-school als van de universiteit moet een gelijke betrokkenheid bestaan om zo’n project samen te ontwikkelen, en uiteraard is enthousiasme belangrijk. Voor de vwo-docent ontstaat dit vooral doordat ze samenwerking met de universiteit zien als verdieping in hun werk. Aan de kant van de universiteit speelt mee dat docenten leerlingen willen interesseren voor hun vak maar ook voor het vak als onderzoeker. Maar een belangrijke drive voor beide docenten is dat ze vanuit de praktijk zien dat leerlingen behoefte hebben aan meer begeleiding bij hun studiekeuze en ook nieuwsgierig zijn naar vakgebieden, onderzoek doen en studeren aan ‘die grote universiteit’.
In de workshop over vakinhoudelijke aansluiting van Engels, Wiskunde en Nederlands overheerst de gedachte dat er nog onvoldoende greep is op de aard van de aansluitingsproblematiek bij deze basisvakken. Volgens de een is bijvoorbeeld Engels alleen bij de start van een bachelor een probleem en dus een kwestie van wennen. Volgens anderen is er aan beide zijden (vwo en wo) zoveel veranderd dat dergelijke aansluitingsproblemen structureel zijn. Leerlingen slagen voor hun een eindexamen vwo en toch mopperen de universiteiten over het niveau van Engels, Wiskunde en Nederlands. Unanimiteit was er echter over de vraag “en wie lost dat op? ”. Men vond dat de bal niet alleen bij het voortgezet onderwijs kan worden gelegd maar dat ook de universiteit verantwoordelijkheid moet nemen. "Het is toch vreemd dat studenten die een scriptie in het Engels moeten schrijven daar vervolgens niet op beoordeeld worden" zei een docent uit het voorgezet onderwijs tegen de universiteiten: “Als jullie besluiten alles in het Engels te gaan doen, laat het ons dan voortaan ook even weten”.
Ook in de slotsessie van de bijeenkomst wordt duidelijk er nog veel aansluitingsproblemen te overwinnen zijn en dat vooral nog heel veel van elkaar geleerd kan worden. Het vraagt durf om binnen de verschillende structuren door te breken, om innovatie aan te gaan, om niet alleen over de schutting te kijken maar ook om er overheen te stappen. Ook constateren we dat beide groepen iets te brengen, te halen en van de ander te leren hebben. Voorwaarde daarvoor is gelijkwaardigheid en respect voor de specifieke deskundigheid van de ander. Met projecten waarin de belangen van leerlingen, docenten vo en wo samenkomen nemen de scholen en de universiteit samen de verantwoordelijkheid. We hebben hele goede voorbeelden gezien. De gezamenlijke vraag die overblijft is hoe we tot schaalvergroting van deze successen kunnen komen.