Vereniging van universiteiten Lange Houtstraat 2 | Postbus 13739 | 2501 ES DEN HAAG | T: 070-3021400
1 Het aantal vakantie-uren per kalenderjaar bedraagt bij een volledige arbeidsduur:
a 248 uren in 2007;
b 240 uren in 2008;
c 232 uren in 2009.
Voor werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1950 en die sinds 1 april 1997 onafgebroken in dienst zijn geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever (en daarmee vallen onder de overgangsmaatregelen VUT/FPU van 1 april 1997), wordt het bovengenoemde aantal vakantieuren verminderd met 16 uur.
2 De werknemer krijgt op zijn verzoek in elk kalenderjaar vakantie met behoud van bezoldiging en met inachtneming van het op grond van dit artikel bepaalde. De vakantie wordt slechts verleend, voor zover de belangen van de instelling zich daartegen niet verzetten.
3 Met inachtneming van het bepaalde in dit artikel kan de werkgever in overeenstemming met de werknemersorganisaties in het lokaal overleg nadere regelingen vaststellen.
4 Tot de in het derde lid bedoelde regels behoren regels over betaling tijdens de vakantie van toelagen als bedoeld in artikel 3.25, 3.27. Op deze (nadere) regels is artikel 10.9 van toepassing.
5 Het verzoek van een werknemer om vakantie op te nemen op een voor hem in verband met zijn religieuze opvattingen geldende feestdag, wordt ingewilligd tot een maximum van vijf dagen per jaar, tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet.
6 Na overeenstemming met de werknemersorganisaties in het lokaal overleg kan de werkgever maximaal 7 dagen per jaar aanwijzen als collectieve sluitingsdag, waarop de werknemer vakantie dient te op nemen voor het aantal uren dat hij zonder collectieve sluiting op die dag zou hebben gewerkt.
7 Na instemming met het lokaal overleg kunnen, indien er sprake is van een solistische functie, of een functie in een kleine werkeenheid, maximaal 56 vakantie-uren worden omgezet in extra te werken uren, uit te betalen met inachtneming van artikel 5.7 lid 2.
8
a De werknemer neemt de vakantie op in het jaar waarin de aanspraak is ontstaan. Met inachtneming van de tweede zin van lid 2 stelt de werkgever de werknemer daartoe in staat. Het is de werknemer uitsluitend toegestaan vakantietegoeden over een jaargrens mee te nemen indien daarover een afspraak met de werkgever is gemaakt.
b Indien de werknemer zijn totale vakantietegoed in een jaar niet in zijn geheel opneemt, maakt hij, ter voorkoming van problemen in de bedrijfsvoering van de instelling en ter voorkoming van verlofstuwmeren, afspraken met de werkgever over hoe het tegoed wordt opgenomen, door:
- toepassing van de meerjaren spaarvariant genoemd in artikel 5.5;
- toepassing van de flexibele werkduur, zoals opgenomen in artikel 5.6 in het daarop volgend jaar, met verlaging van het feitelijk aantal arbeidsuren per week, totdat het verloftegoed is opgenomen;
- een andere afspraak die het tegoed reduceert.
c Indien de werknemer op 1 juli nog geen afspraken, als bedoeld onder a of b, met de werkgever heeft gemaakt, kan de werkgever een periode van vakantie vaststellen van maximaal vier maal de voor de werknemer geldende arbeidsduur per week.
De uitkomsten onder b en c worden schriftelijk door de werkgever bevestigd.
9 Na overeenstemming met de werknemersorganisaties in het lokaal overleg kan de werkgever een van het vorige lid afwijkende of aanvullende afspraak maken ter voorkoming van verlofstuwmeren.
10 De werkgever heeft de mogelijkheid ten aanzien van de werknemer of groepen van werknemers die voor 1 september 2003 jaarlijks ADV valuteerde(n), lokaal af te spreken dit beleid te continueren. Het in lid 1 genoemde vakantietegoed van de werknemer wordt dan verminderd met het aantal gevaluteerde vakantie-uren.
11
a De werknemer die de bedongen arbeid in zijn geheel niet verricht wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, verwerft aanspraak op vakantie over de periode waarin de arbeid wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet werd verricht tot een maximum van zes maanden, met dien verstande dat tijdvakken worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. De werknemer die de bedongen arbeid slechts voor een gedeelte van de overeengekomen arbeidsduur wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet verricht, verwerft slechts aanspraak op vakantie die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben gehad als hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur arbeid zou hebben verricht. Indien de ziekte of arbeidsongeschiktheid door opzet van de werknemer is ontstaan verwerft de werknemer geen aanspraak op vakantie.
b Onverminderd het bepaalde onder a, blijft bij langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid de voorafgaand aan de eerste dag van ziekte c.q. arbeidsongeschiktheid tussen de werknemer en werkgever geldende afspraak over de invulling van de flexibele werkduur van kracht, ook indien in de periode van langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid de termijn van de afspraak wordt overschreden. De verrekening van de met de afspraak gemoeide vakantie-uren met het vakantietegoed wordt begrensd tot en met zes maanden na de eerste ziektedag.