Collegegeldbepalingen zetten onderwijsbudget onder druk
Universiteiten steunen de meeste wijzigingsvoorstellen WHW
De Vereniging van Universiteiten VSNU staat in grote lijnen positief tegenover de wetswijzigingen WHW. Dat neemt niet weg dat zij zich over een aantal zaken grote zorgen maakt. Zo zal het onderwijsbudget nog verder onder druk komen te staan door de voorgestelde wijzigingen rond het collegegeld. Ook de wijzigingen rond de toets macrodoelmatigheid baren zorgen. Daarnaast pleiten de gezamenlijke universiteiten voor een flexibeler lengte van masteropleidingen, variërend van 1, 1 ½ tot 2 jaar, en in een enkel geval nog langer.
Reactie WHW op hoofdlijnen
Groot onderhoud was nodig
De VSNU is in grote lijnen positief over de wetwijziging Versterking en Besturing. De WHW is aan groot onderhoud toe. Zo zitten de universiteiten al jaren te wachten op de wettelijke verankering van de joint degrees (inclusief joint doctorates). Ook de mogelijkheid om talentvolle studenten (van buiten de EER) beurzen te kunnen aanbieden, is een verrijking van de (internationale) leeromgeving van studenten én versterkt de internationale positie van Nederlandse universiteiten. Het judicium abeundi, het recht om studenten bij ernstige ongeschiktheid voor het beroep te verwijderen van de opleiding blijkt (helaas) noodzakelijk. De universiteiten zijn dan ook blij dat er een oplossing komt voor deze knelpunten.
Ruimte voor maatwerk
Ruimte in wetgeving maakt maatwerk voor studenten bij universiteiten mogelijk. In deze wetswijziging wordt deze ruimte ook geboden. Bepaald wordt bijvoorbeeld dat er één loket voor klachten en geschillen moet zijn, maar laat de specifieke inrichting ervan over aan de universiteiten. Maar er zijn ook risico’s. De wet versterkt de medezeggenschap van studenten en medewerkers binnen de universiteiten. De universiteiten staan achter een stevige medezeggenschap, maar wijzen er wel op dat een verstoring van de balans de werkbaarheid binnen de universiteit ernstig kan belemmeren. Meer uniforme wetgeving ter concretisering van allerlei bepalingen in dit huidige voorstel, is dan ook onwenselijk.
Vier prioriteiten
Ondanks deze in grote lijnen positieve reactie, zijn er ook onderdelen van de wet die de universiteiten echt zorgen baren. Het gaat daarbij met name om vier punten:
- Wetsvoorstel bevat nieuwe bezuinigingen
De universiteiten voorzien een inkomstenverlies doordat de bepalingen voor de inschrijving en de restitutie van collegegeld worden gewijzigd en doordat voor studenten boven de 30 jaar geen instellingscollegegeld meer kan worden geheven. Bovendien leidt het wetsvoorstel tot onnodige additionele kosten omdat het nieuwe verhaalsrecht niet scherp genoeg is geformuleerd. Het onderwijsbudget komt hiermee nog meer onder druk te staan dan het al deed. Uiteindelijk gaat dit ten koste van de kwaliteit van het onderwijs.
- Duur van de master
De universiteiten vragen met klem om een flexibeler beleid ten aanzien van de lengte van de master. De internationale positie van de Nederlandse universitaire masteropleidingen vergt dat. De steeds verdergaande internationalisering van het hoger onderwijs – die op zich positief is en ook wordt nagestreefd – vraagt om een betere afstemming met het buitenland. In het buitenland is een master van 120 ects (2 jaar) of 90 ects (1,5 jaar) normaal. Zo zullen binnenkort alle wetenschappelijk masteropleidingen in Vlaanderen 90 of 120 ects worden. De kortere opleidingsduur van veel masters in Nederland speelt de universiteiten parten, met name in de concurrentie om de beste internationale studenten en de erkenning van de Nederlandse masteropleidingen in het buitenland. De huidige wetswijziging maakt het nu wel mogelijk om bij internationale joint degrees masters van 90 ects te programmeren. Universiteiten pleiten ervoor ook in andere gevallen masters van 75 ects of 90 ects te mogen aanbieden. In de bekostiging wordt bovendien onvoldoende rekening gehouden met wijzigingen in de cursusduur van de masterfase.
- Toets macrodoelmatigheid
De universiteiten zijn verrast over de opname in de wet van de bepaling dat universiteiten bij het starten van een nieuwe opleiding overleg moeten voeren met vergelijkbare bekostigde én niet-bekostigde opleidingen. De verplichte afstemming met niet-bekostigde opleidingen wijzen de universiteiten met kracht van de hand. Hierdoor dreigt de continuïteit en kwaliteit van publieke voorzieningen afhankelijk gemaakt te worden van toevallige omstandigheden op de vrije markt. Bovendien doorkruist deze bepaling de lopende discussie rond het open bestel en neemt ze een voorschot op de evaluatie van experimenten die in dit kader lopen. Daarnaast leidt het verplichte afstemmingsoverleg tot extra bureaucratische lasten.
- Onderwijs in het buitenland
De bepaling dat een aparte private rechtspersoon moet worden opgericht voor het verlenen van graden in het buitenland is een vreemde constructie die voorbij ziet aan het grote belang van academische standing en reputatie. Een juridische neveninstelling schept verwarring en schaadt de universiteiten in hun internationale positionering. Zowel buitenlandse studenten, alsook overheden en onderwijsinstellingen zullen erop staan dat een diploma van de internationaal erkende "moederinstelling" wordt afgegeven. Een diploma van een onbekende aangewezen instelling is veel minder waard.
Naast deze vier punten is er nog een aantal zaken waar de universiteiten aandacht voor vragen. Hier wordt verder op ingegaan in het uitgebreidere commentaar op de Memorie van Toelichting (zie bijlage). Daarnaast is er nog een aantal zaken die specifiek een punt van aandacht zijn vanuit de Open Universiteit. Deze punten treft u aan na het commentaar op de Memorie van Toelichting
Zorgvuldige invoering
De universiteiten benadrukken dat een zorgvuldige invoering van de verplichte onderdelen uit de wetswijziging, een redelijke voorbereidingstermijn vereist. Voor verplichte onderdelen van de wet is een invoering eerder dan september 2010 niet realistisch. Belangrijke reden hiervoor is dat zorgvuldig overleg met de betrokken medewerkers en ook de medezeggenschap moet plaatsvinden. Voor de vrijwillige onderdelen – zoals bijvoorbeeld de joint degree – pleiten de universiteiten wel voor de snelle ingangsdatum van september 2009.