Vereniging van universiteiten Lange Houtstraat 2 | Postbus 13739 | 2501 ES DEN HAAG | T: 070-3021400
Den Haag, 02 september 2010 - Van alle OECD-landen is er geen waar het een man zo veel tijd en geld kost om een diploma te behalen in het hoger onderwijs. Nederland staat eenzaam aan de top met 160.000 euro, terwijl het gemiddelde nog geen 80.000 is. We hebben het dan over directe en indirecte kosten, collegegeld plus publieke financiering van universiteiten en hogescholen enerzijds, en verzuimkosten anderzijds (het inkomen dat hij had kunnen verdienen en de bijdragen die hij had kunnen leveren aan de economie).
De OECD wijst vooral op de lengte van de studieprogramma’s. HBO-programma’s vergen stelselmatig vier jaar, universitaire bachelor-programma’s drie jaar. Nederland kent nauwelijks kort Hoger Onderwijs waarbij je een diploma met een maatschappelijk effect verwerft op grond van een tweejarig curriculum (zoals de Amerikaanse Community Colleges). Daarbij komt dat de feitelijke studieduur de programmalengte ruim overtreft. Vooral mannen doen er lang over: nog geen 40% haalt zijn universitaire bachelordiploma in t+1 jaar.
Het is wel duidelijk dat dit geen kampioenstitel is om trots op te zijn. Zeker niet nu het aantal studenten in het hoger onderwijs al jaren toeneemt en naar verwachting tot 2020 zal blijven groeien. Dat maakt het probleem – de hoge individuele en de maatschappelijke kosten - nog omvangrijker dan het al is. Bovendien is er de dreigende krimp van de beroepsbevolking. Pensioendata worden opgeschoven om het werkend deel van de natie te laten groeien. Maar waarom alleen naar de achterzijde kijken? Ook het begin van de arbeidsloopbaan verdient de aandacht. Wanneer de gemiddelde feitelijke studieduur met een jaar wordt gereduceerd zullen de positieve effecten al zeer aanzienlijk zijn. Een langere arbeidsloopbaan, als gevolg van een eerder begin.
Er is nog een andere kant aan de zaak. Hoe belangrijk hoger onderwijs ook mag zijn voor individu en samenleving – het mag wat kosten -, de indruk dat de kosten relatief aan de nogal hoge kant zijn, leidt automatisch tot de roep om besparingen op de directe maatschappelijke bijdragen en/of afwenteling op de individuele studenten. Bezuinigingen en hogere collegegelden.
Deze stand van zaken was en is een van de motieven voor het advies van de commissie-Veerman. Zorg voor meer variatie in programma’s in het hoger onderwijs, korte naast de huidige lange. En zorg voor meer variatie zodat de kans op studiesucces vergroot wordt. Ieder jaar aan een verkeerd gekozen studie besteed, verlengt immers de feitelijke studieduur. Voorkomen is beter dan mislukken.
Relatief veel studenten van hogescholen en universiteiten beginnen wel aan een studie maar halen de eindstreep niet (ongeveer 30% over het hele hoger onderwijs gemeten). Hoewel dit cijfer overeenkomt met het OECD-gemiddelde, valt op dat landen met hoger onderwijs van gevarieerde lengtes een flink wat lager percentage kennen van studenten die wel beginnen met een studie maar geen diploma behalen. Ook daar valt dus wat te winnen. En niet alleen voor de statistiek. Studenten die beginnen met een lang programma (zeg een vierjarig HBO-curriculum), verkijken zich niet zelden op de eisen die dat stelt. Wanneer ze eerst eens een kort programma studeren (van twee jaar) en met succes afronden, kunnen ze met meer ervaring beter beoordelen of een langere studie nuttig en doenlijk is. Ook daar is dus winst te behalen, voor het individu en voor de maatschappij.
Sijbolt Noorda
Voorzitter van de Vereniging van Universiteiten
(VSNU)