Universiteiten ontvangen om drie verschillende redenen geld van financiers:
voor het geven van onderwijs (circa 20%)
voor diensten die zij verlenen (circa 20%) zoals de verkoop van dictaten, inkomsten uit sportcentra, verhuur van collegezalen aan derden etc.
voor het verrichten van onderzoek (circa 60%), zie hieronder
Het universitaire onderzoek wordt in Nederland gefinancierd via drie geldstromen:
De eerste geldstroom: komt van OCW en wordt de universiteiten ter beschikking gesteld als lump sum.
De tweede geldstroom: komt van NWO en gaat naar de universiteiten in de vorm van tijdelijke subsidies.
De derde geldstroom: komt van bedrijven, departementen als EZ, VWS en VROM, de EU en collectebusfondsen. Ook dit zijn tijdelijke subsidies. (Op basis van de CFI-gegevens is het niet mogelijk om de tweede en derde geldstroom van elkaar te onderscheiden. Op basis van CBS-gegevens is wel bekend dat de derde geldstroom in 2004 twee maal zo groot was als de tweede geldstroom.)