Print
 
 

 

Financiering gebouwen

 

Sinds 1995 ligt het economisch eigendom van de universitaire huisvesting bij de universiteiten zelf. De overheid heeft toen echter geen extra middelen meegegeven voor de instandhouding van deze gebouwen. Een groot deel van het vastgoed is gebouwd in de jaren zestig en zeventig of is van nog eerdere datum. Deze gebouwen moeten op enig moment worden  gerenoveerd of vervangen. Dat komt ook door strengere regelgeving op het gebied van brandveiligheid, arbo en milieu. Dat kost veel geld, terwijl de prijs per student de afgelopen jaren  is afgenomen.

Onderwijs en onderzoek hangen bij een universiteit met elkaar samen. De meeste docenten en veel studenten doen namelijk ook onderzoek. Daarom is het van belang dat zowel in onderwijsvoorzieningen (zoals collegezalen en ICT) als in onderzoeksvoorzieningen (zoals laboratoria) geïnvesteerd wordt. Dit maakt het bovendien voor internationaal wetenschappelijk talent aantrekkelijk om zich in Nederland te vestigen.

Aangezien een groot deel van de gebouwen in de jaren ’60 en ’70 gebouwd is (zie onderstaande grafiek), zijn er forse investeringen nodig om deze gebouwen te renoveren of te vervangen. Veel universiteiten kiezen er  voor om hiervoor  te sparen. Ook wordt vreemd vermogen aangetrokken om de investeringen te kunnen doen. 

 

 

 

Bestedingsruimte voor huisvesting

Het universitaire vastgoed moet bekostigd worden uit de eerste geldstroom. De rijksbijdrage bevat circa 150 miljoen euro voor huisvesting, dat is 4% van de eerste geldstroom. Ter vergelijking: in het PO, VO, MBO en HBO is circa 8% voor huisvesting bestemd. Voor onderzoek dat gesubsidieerd wordt uit de tweede en sommige delen van de derde geldstroom mag doorgaans geen bijdrage voor huisvestingskosten gevraagd worden, deze kosten komen dan alsnog bij de eerste geldstroom terecht.  
Ook is het universitaire vastgoed op de vrije markt moeilijk verkoopbaar. Dit komt met name door de  omvang, functiemix en locatie op een campusterrein. Tot slot was de inflatie in de bouwbranche de afgelopen jaren fors hoger dan gemiddeld en bleef de indexatie van de overheid achter vanwege  bezuinigingen. Hierdoor moet een steeds groter gedeelte van de rijksbijdrage voor huisvesting worden gereserveerd.