Print
 
 

Financiering gebouwen


De universiteiten bezitten gebouwen, kan dat vastgoed niet bijdragen aan de financiering van onderwijs en onderzoek?

In 1995 is het economisch eigendom van de universitaire huisvesting overgegaan van het Rijk naar de universiteiten zelf – zonder voldoende afschrijvingsreservering mee te krijgen. Een groot deel van het vastgoed is gebouwd in de jaren zestig en zeventig of is van nog eerdere datum. Deze gebouwen moeten gerenoveerd of vervangen worden. Dat komt ook door strengere regelgeving op het gebied van brandveiligheid, arbo en milieu. Dat geld is er niet, stijgende studentenaantallen en achterblijvende middelen per student maakten investeren in onderwijs tot prioriteit.
Wetenschappelijk onderzoek (Den Heijer, 2009) wijst uit dat in 2009 ongeveer 37% van het universitaire bruto vloeroppervlak niet aan de eisen voldeed. De totale achterstand aan onderhoud en investeringen bedraagt ongeveer 2 miljard euro. De universiteiten lopen dus steeds meer achter op de investeringen in hun vastgoed, ze moeten zelfs fors lenen. Daarnaast verwacht het ministerie van OCW de komende jaren een toename in het aantal studenten van 38%. Dit is vergelijkbaar met de totale omvang van ongeveer vijf middelgrote universiteiten. Ruimte voor investeringen in hun eigen huisvesting hebben de universiteiten dus niet, alles zal moeten worden besteed aan het onderwijs en onderzoek zelf.



BEPERKINGEN BESTEDINGSVRIJHEID RISICO VOOR HUISVESTING


Het universitaire vastgoed moet bekostigd worden uit de eerste geldstroom. De rijksbijdrage bevat 150 miljoen euro voor huisvesting, dat is 4% van de eerste geldstroom. In het PO, VO, MBO en HBO is circa 8% voor huisvesting bestemd. Strenge subsidievoorwaarden voor de tweede en derde geldstroom reduceren het huisvestingsbudget. Dit alles is niet zonder risico’s. Zo zijn universiteiten steeds meer gaan lenen om te kunnen voldoen aan de huisvestingsvraag. Met als gevolg een stijging van de exploitatiekosten (Koopmans, 1999, Den Heijer, 2009).

Ook is het universitaire vastgoed op de vrije markt weinig courant. Door omvang, functiemix en locatie op een campusterrein zijn de gebouwen onverhandelbaar. Tot slot was de inflatie in de bouwbranche de afgelopen jaren fors hoger dan gemiddeld. Hierdoor moet voor een gelijke inspanningsverplichting een steeds groter gedeelte van de rijksbijdrage voor huisvesting worden gereserveerd.