Print
 
 

Onderzoek: sturings- en financieringsinstrumenten

 


Het nationale en het Europese wetenschapsbeleid zijn van grote invloed op de ontwikkeling van de wetenschap en de profileringskeuzes van universiteiten. De overheid heeft vaak via additionele financiering, zoals FES en verschuivingen binnen het universitaire budget, zoals de dieptestrategie, de Vernieuwingsimpuls en het Topsectorenbeleid, sturing gegeven aan het wetenschappelijke bestel.
Deze sturing heeft ertoe geleid dat de eerste geldstroom voor onderzoek is afgenomen en het aantal projectsubsidies is gestegen. De versnippering in financiering heeft ook geleid tot een enorme groei in het aantal onderzoeksinstituten. In 2006 werd het aantal niet-universitaire onderzoeksinstituten geschat op ruim 100 met ruim 50 verschillende organisatievormen en een groot aantal verschillende financieringsconstructies. De onderstaande figuur laat deze versnippering in sturing van het onderzoeksveld duidelijk zien.
De conclusie kan worden getrokken dat de toename van doelsubsidies heeft geleid tot een intensivering van onder meer publiek-private samenwerking. Tegelijkertijd heeft dit geleid tot een enorme bloei aan nieuwe instituten, waardoor er ook sprake is van versnippering.

Organisatie van projectfinanciering onderzoek, situatie vanaf 2005

Bron: Rathenau, 2007. Dertig jaar publieke onderzoeksfinanciering in Nederland 1975-2005

Hieronder volgt een opsomming van de financieringsinstrumenten die een belangrijke sturende invloed hebben op het onderzoek en daarmee op de profilering van de universiteiten.


Fonds Economische Structuurversterking FES (sinds 1995)
De aardgasbaten hebben het afgelopen decennium een enorme impuls gegeven aan de innovatie in Nederland. De wetenschap heeft geprofiteerd van deze financiering, die gericht was op infrastructuur en publiek-private samenwerking. Sinds 2010 worden er geen nieuwe investeringen vanuit het FES meer gedaan. De bestaande programma’s lopen af in 2015. Dit betekent een enorme aderlating voor de Nederlandse wetenschap en de innovatiekracht van Nederland. De VSNU heeft berekend dat het weggevallen bedrag gelijkstaat aan omgerekend 3.000 promotieplaatsen (op een totaal van naar schatting 20.000 promovendi) of twee keer de onderzoeksomzet van een middelgrote universiteit.

EU-Kaderprogramma’s (sinds 1984)
De Europese agenda wordt in toenemende mate bepalend voor de Nederlandse wetenschap. De grand challenges die centraal staan in het onderzoeksprogramma Horizon 2020, dat van start gaat in 2014, zijn terug te vinden in de profielkeuzes van de universiteiten. Nederland scoort relatief goed in de Europese Kaderprogramma’s. Zo is in KP6, van 2002-2006, ruim € 1,1 mld steun gegeven aan Nederlands onderzoek, ofwel 6,6 procent van het totale budget (EC, 2009). Nederland staat daarmee op de vijfde positie: na Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië. Ook in KP7 (2007-2013) is Nederland goed vertegenwoordigd: er zijn veel deelnames en de slagingskans van de Nederlandse R&D-aanvragen is hoog (22 procent. Er is tot nu toe € 225 mln aan Europese subsidies verworven voor een totaal aan 498 projecten met 712 Nederlandse organisaties. Tot nu toe behaalt Nederland in KP7 een retour van 6,7 procent van de toegekende financiering. Deze percentages zijn hoger dan de bijdrage van circa 5 procent aan de EU-begroting. Nederland is dus netto-ontvanger van Europese R&D-subsidies. Tot nu toe heeft Nederland ruim € 400 mln meer ontvangen dan het bijdraagt aan KP7.


Breedte- en Dieptestrategie: Toponderzoekscholen (vanaf 1998)
In 1998 is het ministerie van OCW gestart met de Breedtestrategie en de Dieptestrategie. De Breedtestrategie was een stimulans voor het inrichten van onderzoekscholen in de breedte. Daartoe was € 100 mln per jaar beschikbaar, die werd toegekend via NWO. In de loop van de tijd zijn de middelen weer in het macrobudget opgenomen waaruit zij afkomstig waren.
De Dieptestrategie bestond uit een subsidie van € 50 mln per jaar voor toponderzoekscholen. Tot nu toe is er één aanvraagronde geweest, waaruit zes toponderzoekscholen zijn gesubsidieerd. Nova en Zernike zijn als ‘exemplary’ geëvalueerd. Hun aanvullende financiering door het ministerie van OCW wordt gecontinueerd tot en met 2018, waarna zij in de reguliere competitie van het nieuwe programma ‘Zwaartekracht’ een nieuwe aanvraag kunnen indienen. De financiering van de overige toponderzoekscholen loopt eind 2013 af. Deze scholen kunnen vanaf 2012 een nieuwe aanvraag indienen. Daarmee is de continuïteit van deze overige vier toponderzoekscholen onzeker. Dit jaar is NWO gestart met het programma ‘Zwaartekracht’ voor consortia met ‘een excellent wetenschappelijk onderzoeksprogramma dat concurreert met wetenschappers op het hoogste mondiale niveau’.  Het ministerie van OCW heeft voor het programma structureel een budget beschikbaar gesteld van € 50 mln per jaar. Voor de ronde 2012 is voor nieuwe verplichtingen een budget beschikbaar van in totaal € 167,5 mln voor tien jaar. Ook de bestaande toponderzoekscholen kunnen aanvragen indienen. Zij moeten zich echter opnieuw bewijzen.

Vernieuwingsimpuls (2008)
In 2008 is structureel € 100 mln van de eerste geldstroom voor de universiteiten overgeheveld naar NWO (tweede geldstroom) voor versterking van de Vernieuwingsimpuls. De Vernieuwingsimpuls bestaat uit drie regelingen: Veni, Vidi en Vici. Het totale budget voor dit programma bedraagt ongeveer € 150 mln op jaarbasis. De Vernieuwingsimpuls is een persoonsgericht programma dat niet op focus en massa stuurt, maar individuele excellentie bevordert. Tegelijkertijd kunnen de toekenningen van vooral de Vici-subsidies voor gevestigd talent wel de profilering van de universiteiten beïnvloeden.

In de figuur schetst de slagingspercentages in de Vernieuwingsimpuls in de diverse wetenschapsgebieden tussen 2006 en 2010. Het aantal honoreringen (van 189 in 2006 naar 261 in 2010) is in die periode veel minder sterk gestegen dan het aantal aanvragen (van 809 in 2006 naar 1542 in 2010). Deze gegevens illustreren de nadelen van beperking van de eerste en toename van de tweede geldstroom: onderzoekers steken veel tijd en energie in aanvragen voor de tweede geldstroom die ook bij hoge kwaliteit van de aanvragen slechts gedeeltelijk gehonoreerd worden. Uit de aanvraagdruk kan anderzijds worden afgeleid dat de tweede geldstroom steeds belangrijker wordt als financieringsbron voor wetenschappelijk onderzoek.

ALW: Aard- en levenswetenschappen
CW: Chemische wetenschappen
EW: Exacte wetenschappen
GW: Geesteswetenschappen
MaGW: Maatschappij- en gedragswetenschappen
N: Natuurkunde
STW: Stichting voor de Technische Wetenschappen
ZonMw: Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie



European Institute of Innovation & Technology (2009)

Het European Institute of Innovation & Technology (EIT) is een initiatief van de Europese Commissie om de hele kennisketen te ondersteunen en te verstevigen, van het opleiden van studenten tot het ontwikkelen van producten op gebieden van algemeen maatschappelijk belang. Hiertoe zijn op kwaliteit geselecteerde consortia gevormd van bedrijven en onderwijs- en onderzoeksinstellingen, ondergebracht in Knowledge and Innovation Communities (KIC). De KIC’s beogen via een internationale, integrale benadering van onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven en innovatie, Europa op de internationale kenniskaart te houden. De EIT financiert de KIC’s, tot een maximum van 25 procent van het gehele budget. De subsidie voor de eerste drie KIC’s is toegekend in 2009. Deze KIC’s richten zich op energievraagstukken, ICT-toepassingen en klimaatproblematiek. Nederlandse universiteiten participeren in alle drie de winnende consortia. TU/e participeert in de KIC InnoEnergy. De drie technische universiteiten nemen deel aan de KIC ICT Labs. TUD, UU en WU nemen deel aan de Climate KIC. De universiteiten tonen hiermee aan dat zij risico durven nemen om op deze innovatieve manier over de kennisketen na te denken en te participeren in nieuwe initiatieven en dat zij hierin succesvol zijn.


Grote infrastructuren (2011)
In 2008 heeft het ministerie van OCW de Commissie Nationale Roadmap Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten ingesteld om te adviseren over zowel de Europese onderzoeksinfrastructuur (de zogenoemde ESFRI-projecten) als het opstellen van een nationale roadmap voor onderzoeksinfrastructuur (FES-gelden).  De commissie heeft 25 projecten geselecteerd die in hun optiek de vitaliteit  en het innovatief vermogen van het Nederlandse wetenschapssysteem bevorderden en voor financiering in aanmerking kwamen. Slechts acht projecten zijn gefinancierd.
Voor de jaren 2012-2014 heeft het ministerie van OCW tezamen met NWO een budget van € 80 mln beschikbaar gesteld voor grootschalige onderzoeksinfrastructuur.

Topsectorenbeleid (vanaf 2012)
In 2011 is het Kabinet gestart met het stimuleren van publiek-private samenwerking op een aantal sectoren waarbinnen Nederland een krachtige economie kent. De gedachte is om juist op die sectoren in te zetten om ook de private investeringen in R&D te vergroten. Kennisinstellingen en bedrijven hebben de afgelopen maanden bottom-up onderzoeksagenda’s geschreven die via Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) moeten worden uitgevoerd. De overheid stelt een toeslag van € 90 mln per jaar beschikbaar aan de TKI’s op basis van financiële bijdragen uit het bedrijfsleven. Daarnaast worden fiscale maatregelen als de RDA en WBSO gecontinueerd en hebben NWO, KNAW en de toegepaste onderzoeksinstituten de opdracht gekregen om uit hun budgetten € 600 mln aan de topsectoren bij te dragen. Deze maatregelen moeten het wegvallen van de FES-middelen deels compenseren en faciliteren in de doorstart van de succesvolle TTI’s.

Duidelijk is dat de financiële stromen op het gebied van onderzoek en innovatie fors gaan schuiven.Dit biedt aan een topsector gerelateerde disciplines nieuwe kansen en vormt binnen en buiten die disciplines tegelijkertijd ook een bedreiging voor de breedte van de wetenschap. NWO zal in 2015 substantieel minder geld beschikbaar hebben voor de vrije competitie voor onderzoek buiten de topsectoren (alfa, gamma en bijvoorbeeld aardwetenschappen). Ook binnen de topsectorgebieden kan de vrije competitie onder druk komen te staan door het oormerken van financiering voor specifieke plannen binnen de topsectoren. Een risico is bovendien dat vorming van TKI’s leidt tot nieuwe  instituten en een nog grotere organisatorische versnippering van het onderzoekslandschap.

De universiteiten hebben eind februari 2012 aangegeven aan welke topsectoren zij met hun onderzoeksgroepen kunnen bijdragen. In de komende maanden wordt deze bijdrage verder uitgewerkt in concrete onderzoeksplannen en commitment. Deze zal afhangen van vormgeving en inhoudelijke invulling van de TKI’s alsmede de calls van NWO.

Horizon 2020 (vanaf 2014)
De Europese Commissie bereidt zich voor op de start van Horizon 2020, het nieuwe programma voor onderzoek en innovatie voor de periode 2014-2020. De Europese Commissie stelt voor om het onderzoeks- en innovatiebudget te verhogen tot € 80 mld.  Daarnaast zullen de Cohesiefondsen een belangrijker rol spelen op het gebied van onderzoek en innovatie.
Horizon 2020 bestaat uit drie blokken:
1. Excellent Science Base:
versterken van de EU-positie in wetenschap met een budget van € 24,6 mld, inclusief een verhoging van het budget voor de ERC tot € 13 mld.
2. Industrial Leadership & Competitive Frameworks:
versterken van industrieel leiderschap in innovatie met een budget van € 18 mld. Dit bevat grote investeringen in sleuteltechnologieën, betere toegang tot kapitaal en steun voor het MKB.
3. Tackling Grand Societal Challenges:
er is een budget van € 32 mld beschikbaar voor publiek-private samenwerkingsverbanden die door middel van onderzoek en innovatie een bijdrage aan maatschappelijke vraagstukken leveren.

Het is duidelijk dat voornamelijk het eerste en derde blok grote kansen bieden voor de Nederlandse wetenschap. Universiteiten bereiden zich dan ook gedegen voor, onder meer door het sluiten van internationale coalities. Er is een grote overlap met de thema’s voor de topsectoren. Idealiter vormen de TKI’s een hefboom voor de inzet in Horizon 2020. In de vormgeving van de TKI’s moet hier rekening mee worden gehouden. Beide initiatieven zullen cofinanciering van betrokken partijen vragen.
Dit legt een extra druk op de eerste geldstroom van universiteiten. Voldoende middelen vanuit de nationale overheid voor matching van EU-bijdragen en een zodanige inrichting van de TKI’s dat aangesloten wordt bij de criteria van Horizon 2020, zijn belangrijke voorwaarden voor succesvolle participatie van de universiteiten in de Europese programma’s.