Print
 
 

Onderzoeksfinanciering & investeringen in R&D


Het budget voor onderzoek in Nederland staat onder druk. De ontwikkeling van de investeringen in R&D (zowel publiek als privaat) als percentage van het BBP laat voor Nederland een licht neerwaartse trend zien (zie figuur 1). Nederland scoort vanaf 2007 onder het gemiddelde van de (27) Europese landen. De investeringen van Nederland staan in schril contrast met die in referentielanden. Zweden en Denemarken hebben de EU 2020-target van 3 procent al gehaald, Duitsland is daar hard naar op weg. Daarmee versterken deze landen hun posities als leidende kenniseconomieën.

 

Figuur 1

 

In de periode 2000-2010 bleven deze investeringen onder de twee procent en vertoonden ze een dalende tendens. Terwijl we al jaren tot de innovatievolgers van Europa behoren, investeert Nederland minder in R&D dan het EU-gemiddelde. De private investeringen in R&D blijven nog verder achter bij andere landen. Voor de komende jaren wordt in Nederland een forse daling voorzien, waardoor de EU-doelstelling van 3 procent en de Kabinetsdoelstelling van 2,5 procent investeringen in R&D in 2020 niet gehaald kunnen worden. Het Rathenau Instituut verwacht dat de totaal beschikbare middelen voor onderzoek zullen teruglopen van € 5,1 mld in 2010 naar €4,4 mld in 2016 (zie figuur 2).

 

Figuur 2

 

Dat zal effect hebben op de productiviteit van het Nederlandse onderzoek en de mogelijkheden om de onderzoeksinfrastructuur op peil te houden. Bovendien vindt een verschuiving plaats van directe financiering naar indirecte stimulering van private bijdragen voor R&D via de fiscaliteit.


Zie ook het VSNU-bericht en de factsheet.

 

Private financiering onderzoek

De inkomsten van universiteiten uit de eerste geldstroom zijn gedaald, terwijl de inkomsten uit de tweede en derde geldstroom zijn toegenomen. De keerzijde van de bezuinigingen op de eerste geldstroom is dat de verbinding tussen onderwijs en onderzoek steeds verder onder druk komt te staan en dat de ruimte voor het vrije onderzoek, dat de basis vormt voor de ontwikkeling van de topsectoren van de toekomst, wordt beperkt. Het grootste deel van de promovendi wordt inmiddels gefinancierd uit de tweede en derde geldstroom. Verschuivingen in deze middelen hebben een direct effect op het aantal promovendi. Bovendien doen de inkomsten uit de tweede en derde geldstroom een steeds zwaarder beroep op de eerste geldstroom.

Figuur 3

 

"De ontwikkeling van het onderzoekdeel in de rijksbijdrage van universiteiten in de periode 2000-2010 is gebaseerd op de definitieve rijksbijdragebrieven van OCW en EL&I (LNV). De bedragen zijn inclusief Wageningen Universiteit, exclusief Open Universiteit, collegegelden en het deel academische ziekenhuizen.
Het onderzoekdeel in de rijksbijdrage in lopende prijzen is bepaald met behulp van de verhouding tussen onderzoekdeel en onderwijsdeel per jaar volgens het rijksbijdragemodel. Verder is gecorrigeerd voor inflatie naar prijspeil 2011 op basis van cijfers van het Centraal Planbureau over loon- en prijsontwikkeling (Macro Economische Verkenning 2012, bijlage 7, loonvoet marktsector en consumentenprijsindex)."


Europese vergelijking

Ten opzichte van de referentielanden in Europa is de private investering in R&D in Nederland een zeer zwak punt, zoals blijkt uit onderstaande figuur. Ten opzichte van alle 27 EU-landen scoort Nederland 0,3 procent lager dan het gemiddelde.

 

Figuur 4