Print
 
 

Promovendi


Na het Bologna-proces, waarbij het hoger onderwijs op Europees niveau werd vastgesteld, kreeg de promotiefase nadrukkelijk de status van ‘derde fase’. Naast de promovendus als werknemer en de buitenpromovendus, zijn inmiddels meer vormen van promotietrajecten ontstaan, mede door de toenemende internationalisering, zoals beurspromovendi en joint PhD’s. De VSNU onderscheidt vier typen promovendi.


De derde fase wordt door universiteiten niet alleen als de start van een academische carrière beschouwd; binnen de promotieopleiding wordt ook aandacht besteed aan vaardigheden die  buiten de wetenschap bruikbaar zijn. Uit een internationale studie van de OECD blijkt dat promovendi in Nederland veel buiten de universiteit werken en dat hun arbeidsmarktperspectieven goed zijn (zie OECD_career of doctorate holders-arbeidsmarkt-2013). In de graduate schools is het opleidingselement voor promovendi versterkt door een experimenteerbepaling. Door verankering van de promotiestudent in de wetgeving is de derde fase ook in de Nederlandse regelgeving vastgelegd en is het promotiestelsel internationaal herkenbaarder.


De onderstaande figuur laat zien dat het aantal promoties sinds 2000 bijna is verdubbeld.




Toch heeft Nederland in vergelijking met andere landen niet veel gepromoveerden als percentage van de beroepsbevolking. Met deze ontwikkeling verbeteren we onze positie licht (Education at a glance, 2013).


Onder de Nederlandse beroepsbevolking zijn er per 1.000 mensen slechts 6,6 gepromoveerd. Dit is lager dan het EU-15-gemiddelde (7,5 gepromoveerden per 1.000) en de Scandinavische referentiegroep (12,0). Deze achterstand wordt alleen maar groter. Het is dus van groot belang dat het Nederlandse promotiestelsel aansluit bij de internationale ontwikkelingen. De meeste Europese landen hebben een gemengd stelsel met zowel de promovendus met een studentenstatus als de werknemer-promovendus.


Door het Nederlandse systeem hiermee in overeenstemming te brengen, wordt bovendien studentenmobiliteit bevorderd. Verder willen de Nederlandse universiteiten meer manieren van promoveren mogelijk maken. Door het toevoegen van bijvoorbeeld de student-promovendus (bursaal) kan de universiteit meer promovendi opleiden, waardoor de Nederlandse kennissamenleving wordt verstevigd.


Nadat er jarenlang sprake is geweest van een toename van het aantal nieuwe promovendi in dienst bij de universiteiten (werknemer-promovendi), nam de instroom in 2012 voor het eerst af (t.o.v. 2011 startten in 2012 bijna 500 promovendi minder). In 2013 daalde de instroom nog iets verder.
Hoewel het aantal werknemer-promovendi daalt, neemt het aantal dissertaties per jaar toe. In dezelfde periode stijgt het aantal promoties naar een totaal van 4163 in 2012 en zelfs tot 4467 in 2013. Een groot deel van de promoties in Nederland komt op conto van personen die niet in dienst zijn bij universiteiten, zoals buitenpromovendi. 


De daling van het aantal werknemer-promovendi geeft reden tot bezorgdheid; een verminderde instroom leidt over vijf jaar tot een daling van het aantal promoties.





De rendementscijfers laten zien dat uiteindelijk ongeveer 75% van de promovendi in dienstverband de promotie succesvol afrondt. Dit cijfer wordt vertekend door allerlei veranderingen in de aanstelling van promovendi.


 

Omdat rendementscijfers gemeten worden per jaar wordt ook het aantal maanden dat nodig is om een promotie af te ronden gemeten. Dat geeft een meer accuraat beeld van het succes van promovendi. Gemiddeld hebben promovendi 60 maanden, ongeveer vijf jaar, nodig voor hun promotie.
Om de rendementen te verhogen hebben de universiteiten maatregelen genomen om de begeleiding en opleiding van promovendi te verbeteren. Naar verwachting zullen de graduate schools hieraan een extra impuls geven.


Een opvallende kanttekening: 44% van de promovendi in dienstverband heeft niet de Nederlandse nationaliteit.