Print
 
 

Rijksbijdrage

 

De inkomsten van de universiteiten zijn onder te verdelen in drie geldstromen. Zo is er een geldstroom die de baten van de NWO en de KNAW voor onderzoek omvat, en een geldstroom die bestaat uit overige inkomsten, waaronder inkomsten uit contractonderwijs en contractonderzoek, ontvangen collectebusfondsen, diverse Europese subsidies.

Hieronder volgt meer informatie over de geldstroom betreffende de gelden die de universiteiten rechtstreeks krijgt uitkeert van de overheid, en tevens de wettelijke collegegelden omvat.

Deze wordt ook wel de rijksbijdrage genoemd. De rijksbijdrage bevat een onderzoekdeel en een onderwijsdeel. Het onderwijsdeel is weer onder te verdelen naar een algemeen budget en een specifiek deel gereserveerd voor een viertal medische opleidingen: tandheelkunde, geneeskunde, diergeneeskunde en klinische technologie.

Deze bedragen zijn herleid uit de jaarlijkse definitieve begrotingsbrieven van het Ministerie van OCW en voor wat betreft de Wageningen Universiteit en Researchcentrum van het Ministerie van LNV. De bedragen worden jaarlijks gecorrigeerd naar de ontwikkeling van het loon- en prijspeil. Voor deze correctie is gebruik gemaakt van de Macro Economische Verkenning en wel de grootheden: contractloon ontwikkeling marktsector en het afgeleide consumentenprijsindexcijfer. Het gebeurt echter regelmatig dat compensatie lager is dan de feitelijke ontwikkeling van het loon- en prijspeil in Nederland.

 


 


Bedragen in loon-en prijspeil 2007 en in €1.000. De bedragen zijn exclusief het rijksbijdragedeel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek, de Open Universiteit, IHS, ISS, ITC, Maastricht School of Management, Vijverdal/Valerius.
 
In de tabel is een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de eerste geldstroom voor universiteiten. Alhoewel de totale rijksbijdrage in 2007 ten opzichte van 1995 met 4% (ongeveer €100 miljoen) is gestegen, blijft deze stijging ver achter bij de stijging in studentenaantallen die met 20% zijn gestegen (zie tabel link 1.3).

Het onderwijsdeel (inclusief het deel voor de werkplaatsfunctie van de medische opleidingen) stijgt met ruim €278 miljoen ten opzichte van 1995. Een groot deel van deze stijging is te wijten aan de toename van de budgetten voor de verhoging van de numerus fixus van geneeskunde, tandheelkunde, diergeneeskunde en klinische technologie. Uitgedrukt in een onderwijsdeel per student zien we een forse daling van 500 euro (zie tabel 1.3).

Het onderzoekdeel is in 2007 ten opzichte van 1995 met meer dan €163 miljoen verlaagd. Dit betekent een daling van bijna 10% ten opzichte van 1995. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de gefaseerde overheveling van M€ 100 naar NWO vanaf 2008.