Print
 
 

Promotiestudent

 

VSNU is teleurgesteld over niet opnemen van promotieonderwijs in de wet
Universiteiten zijn teleurgesteld dat minister Bussemaker heeft besloten het beleid rond de promotiestudent niet op korte termijn wettelijk te gaan regelen. Ondanks de eerder gedane toezeggingen in het Hoofdlijnenakkoord tussen de minister en de universiteiten is er hierdoor nog steeds geen wettelijke verankering voor de inzet van promotiestudenten.

Toelichting wetsvoorstel
De minister heeft besloten om de promotiestudent niet langer in de wet op te nemen naar aanleiding van de kritiek die de Raad van State op het wetsvoorstel heeft gegeven. Universiteiten mogen wel gaan experimenteren met de inzet van promotiestudenten. In de komende maanden zal OCW op basis van het oorspronkelijke wetsvoorstel een experimenteer-AmvB opstellen. Hiermee krijgen universiteiten de mogelijkheid om een start te maken met studenten die promoveren. Door de vorm van een experimenteer-AmvB zal de omvang echter noodgedwongen beperkt blijven en blijft een wettelijke invoering op korte termijn buiten bereik.

 

Argumenten voor de promotiestudent
- Nederland heeft relatief gezien weinig gepromoveerden. Op elke 1000 werkenden zijn er in Nederland slechts 0,34 gepromoveerd. Dit is bijna de helft lager dan het EU-15 gemiddelde van 0,56. En deze achterstand wordt alleen maar groter. Eind 2003 wees het Ministerie van OCW op een daling van het aandeel gepromoveerden in de Nederlandse bevolking van 5% per jaar terwijl dit aandeel in de ons omringende landen stijgt.
- Internationale ontwikkelingen vormen een belangrijke reden voor meer differentiatie. Het is van  groot belang dat het Nederlandse promotiestelsel aansluit bij de internationale ontwikkelingen en de internationale standaard. De meeste landen in Europa hebben een gemengd stelsel, met promovendi met de status van een student en daarnaast de werknemer-promovendi, afhankelijk van de aard van het promotietraject. Uniformering zorgt voor meer internationale mobiliteit.
- De Nederlandse universiteiten willen met hun promotiebeleid zoveel mogelijk talent aan zich binden. Met de studentpromovendus als aanvullende optie, kunnen universiteiten meer promovendi opleiden, wat goed is voor onze positie in de wetenschap.
- Het traject als promotiestudent heeft als voordeel dat de student meer eigen invloed op de onderwerpkeuze en invulling van het promotietraject heeft, hetgeen talentvolle studenten aanspreekt.

 

 

 

Wat zijn de bedenkingen van de Raad van State?

 

V: Zullen de promotiestudenten de werknemer-promovendi gaan verdringen?
A: Universiteiten zien de promotiestudent niet als een vervanging, maar juist als een welkome aanvulling op de bestaande vormen van promoveren. Onder de huidige omstandigheden lukt het universiteiten niet om voldoende promotieplekken te vullen met hoogwaardige PhD-kandidaten. Het uitbreiden van de mogelijkheden om promotietrajecten in te vullen passend bij de wensen van de PhD-kandidaat en binnen de beschikbare middelen is hiervoor juist een welkome oplossing. Bij een flink deel van de promotieonderwerpen en in vele disciplines is een gezagsverhouding vereist of noodzaakt de arbeidsmarkt een promotietraject als werknemer. De VSNU heeft geen reden om aan te nemen dat dit in de toekomst zal veranderen.

V: Is het geschetste promotietraject wel aantrekkelijk genoeg voor (buitenlands) toptalent?
A: Op dit moment is al een groot aantal buitenlandse studenten met een buitenlandse beurs bezig met een promotie aan een Nederlandse universiteit. Het gaat daarbij zeker om veelbelovend talent, promovendi die er bewust voor hebben  gekozen om met een beurs naar Nederland te komen. Het traject van de promotiestudent past hen uitstekend.  Bovendien is een promotietraject als student internationaal gezien heel gebruikelijk. Buitenlands talent kiest over het algemeen daarom ook om andere redenen voor Nederland, zoals bijvoorbeeld vanwege  de uitstekende wetenschappelijk reputatie.

V: Ontstaan er  grote kwaliteitsverschillen tussen de werknemerspromovendus en de promotiestudent?
A: Hoewel er verschillende manieren zijn om te promoveren, is het voor de VSNU van groot belang dat het eindniveau van al deze promotietrajecten gelijk en van hoog niveau is. Het college voor promoties beoordeelt immers de promoties en garandeert dus de kwaliteit. Het verschil in inhoud van de promotietrajecten tussen bijvoorbeeld de werknemer-promovendus en de promotiestudent biedt juist de mogelijkheid extra aandacht te besteden aan het aanleren van extra vaardigheden.

 


Gebruikte bronnen
- Wetsvoorstel Kwaliteit in Verscheidenheid hoger onderwijs - Kamerstuk 33519 – 23-01-2013
- NOWT rapport (2010) Wetenschaps- en Technologie Indicatoren. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/brochures/2010/02/05/wetenschaps-en-technologie-indicatoren-2010/wetenschap-en-technologie-indicatoren.pdf