Print
 
 

Collegegeld

 

Studenten van Nederlandse universiteiten moeten jaarlijks collegegeld betalen. We kennen in Nederland twee typen collegegeld: wettelijk collegegeld en instellingscollegegeld. Welk type collegegeld een student moet betalen (en hoe hoog dit bedrag is), hangt af van verschillende factoren.



Wettelijk collegegeld en instellingscollegegeld

De hoogte van het wettelijk collegegeld wordt jaarlijks vastgesteld door de rijksoverheid. Voor het collegejaar 2017-2018 bedraagt het wettelijk collegegeld €2.006.


De hoogte van het instellingscollegegeld wordt bepaald door een universiteit, waarbij de medezeggenschap adviesrecht heeft. De hoogte van het instellingscollegegeld kan verschillen per opleiding en hangt samen met de kosten van een opleiding. Zo is het instellingscollegegeld voor masteropleidingen doorgaans hoger dan het instellingscollegegeld voor bacheloropleidingen. Ook is het instellingscollegegeld voor opleidingen in de sectoren gezondheidszorg, landbouw en techniek doorgaans hoger dan dat in de sectoren gedrag & maatschappij, recht en taal & cultuur. Het instellingscollegegeld is nooit lager dan het wettelijk collegegeld.


Wie betaalt wat?

In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is vastgelegd welke studenten in aanmerking komen voor het wettelijk collegegeld. Hoofdregel is dat het wettelijk collegegeld betaald moet worden door studenten uit de Europese Economische Ruimte (waaronder Nederland) die ingeschreven staan voor hun eerste bacheloropleiding of eerste masteropleiding bij een Nederlandse bekostigde universiteit. Op deze hoofdregel zijn echter verschillende uitzonderingen. Zo komt een student die al een bachelor of master heeft afgerond en daarna voor de eerste keer een opleiding op het gebied van onderwijs of gezondheidszorg volgt, ook in aanmerking voor wettelijk collegegeld.

Het instellingscollegegeld is van toepassing op alle studenten die niet in aanmerking komen voor het wettelijk collegegeld. In beginsel gaat het dus in ieder geval om alle studenten die afkomstig zijn van buiten de Europese Economische Ruimte (EER). Ook studenten van binnen de EER die na afronding van hun eerste bachelor of master een tweede opleiding starten, betalen in de regel het instellingscollegegeld.

 

[1] Een EER-student is een student met de nationaliteit van één van de EU-landen, Noorwegen, Zwitserland, IJsland, Liechtenstein en Suriname. Daarnaast voldoet een student ook aan de nationaliteitsvereiste als hij een familielid is van een in Nederland wonende EU-burger of als hij een verblijfsvergunning heeft op basis waarvan hij in aanmerking komt voor studiefinanciering.


Waarom zijn er twee typen collegegeld?

Het onderwijs aan universiteiten wordt bekostigd door de student en de rijksoverheid. De universiteit ontvangt van de student collegegeld en van de rijksoverheid de rijksbijdrage. De rijksoverheid wil echter niet van alle studenten de opleiding bekostigen. Zo ontvangen universiteiten geen bijdrage van de rijksoverheid voor studenten afkomstig van buiten de EER. Daarom is besloten dat universiteiten aan deze studenten een hoger collegegeld mogen vragen: het instellingscollegegeld.

Deze koppeling tussen bekostiging en type collegegeld is echter niet van toepassing voor alle groepen studenten. Zo ontvangen de universiteiten van de rijksoverheid geen bijdrage voor schakelstudenten, maar mogen zij aan deze studenten geen instellingscollegegeld vragen.  De universiteiten vragen om een betere bekostiging van schakelprogramma’s zodat het voortbestaan hiervan niet in gevaar komt. Zie deze pagina voor meer informatie.