Print
 
 

 

Historie van de VSNU


In de jaren veertig raken de ideeën in zwang die leiden tot de oprichting van de VSNU. De ontstaansgeschiedenis van de vereniging is onstuimig. Zo ontstaat eerst het Interuniversitair Contactorgaan (1956), dat na vier jaar wordt opgevolgd door de Academische Raad. De reacties op deze organen zijn niet onverdeeld enthousiast. Totdat de Vereniging van Universiteiten haar huidige vorm krijgt in 1985, nadat het onderwijs is gedemocratiseerd en de universiteiten grotere autonomie krijgen.

In de jaren veertig wordt volop gediscussieerd over mogelijke hervormingen in het hoger onderwijs. De universiteiten blijken naar onderlinge samenwerking te verlangen om collectief tegen de regering op te trekken. Tegelijkertijd bestaat de angst dat door intensieve samenwerking de unieke identiteiten van de universiteiten verloren gaan. Kunnen zij het eigen karakter behouden en autonomie waarborgen, als ze zich verenigen? Staatscommissie Reinink doet een poging om de voorwaarden voor een collectief orgaan in kaart te brengen. De universiteiten moeten benoemingen in eigen hand gaan houden en de regering gaat alleen over de verdeling van het geld, zo is de gedachte. Om deze constructie in goede banen te leiden, is een coördinerend orgaan nodig. Daarvoor nemen de universiteiten in 1956 vrijwillig het initiatief, met de Interuniversitaire Contactorganisatie (IUCO) tot gevolg.

Helaas gaat de IUCO na vier jaar, in 1960, ter ziele. Minister Cals stelt een wet op, waarin hij de macht van een ander orgaan, de Hogere Academische Raad, sterk inperkt. Zo ontstaat de Academische Raad. Enkel de overheid is enthousiast; vanuit de sector is veel kritiek, onder andere op de ingewikkelde structuur – er zijn ruim dertig secties en vierhonderd betrokkenen.  Als in 1976 een kritisch rapport verschijnt over de Raad, is dit geen verrassing. Van overleg of coördinatie blijkt nauwelijks sprake. De Raad noteert vooral de uiteenlopende standpunten van de universiteiten.

In 1983 maken minister Deetman en directeur-generaal In ’t Veld in nieuwe plannen ferm onderscheid tussen advies (van onafhankelijke partijen) en overleg (juist door betrokkenen). De Groningse rectoren Van Gils en Engels pleiten ook voor een adviesorgaan dat de “optelsom” van universitaire visies kan ontstijgen. Dit leidt tot de oprichting van een adviesraad en overlegkamers voor WO en HBO. Onder leiding van de Nijmeegse universiteitsbestuurder Van Lieshout stellen de Colleges van Bestuur een plan op. De positie van wetenschappelijke onderwijs en onderzoek wordt verstrekt, zo is het idee, zonder dat de autonomie of concurrentieposities van universiteiten in het geding komen.

Mede door de HOAK-nota ontstaat in de jaren tachtig een degelijk universitair kwaliteitszorgstelsel. Vanaf dat moment wordt de kwaliteit van onderzoek en onderwijs uitgebreid gemonitord. In lijn met deze denkbeelden wordt  de Academische Raad in 1985 opgevolgd door de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). Naast het bestuur waarin alle universiteiten vertegenwoordigd zijn, krijgt de vereniging een bureau dat wordt gefinancierd uit de contributie van de universiteiten. De vereniging betrekt een pand aan de Leidseveer in Utrecht. Een locatie middenin het land, zodat de vereniging goed bereikbaar is voor haar leden, de universitaire bestuurders. In de loop der jaren verdwijnt “Samenwerkende Nederlandse”  uit de naam - woorden die wel behouden blijven in de afkorting “VSNU”. Ook verruilt het bureau in 2005 de Domstad voor de Hofstad. Hoewel dit landelijk minder centraal ligt, vergroot standplaats Den Haag de zichtbaarheid van de vereniging voor politiek en andere bestuurlijke organen. Voortaan is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vlakbij; zo ook het kabinet, de Tweede Kamer, de VNO-NCW en de Vereniging Hogescholen, de voormalige HBO-Raad. Zo kan de VSNU haar opdracht - gezamenlijke standpunten bepalen en belangen behartigen - efficiënt en effectief vervullen.

In de meer dan dertig jaar van haar bestaan heeft de VSNU ervoor gezorgd dat de Nederlandse universiteiten internationaal in hoog aanzien staan, een gezamenlijk personeelsbeleid hebben met een eigen CAO, een kwaliteitsbewaking hebben die door veel landen is nagevolgd, en dat het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek onlosmakelijk verbonden is aan de Nederlandse kenniseconomie.