Print
 
 

Interview Jan van Tartwijk en Martijn Meeter - tweejarige opleidingen en een master met een andere finaliteit in de lerarenopleiding

Twee belangrijke ontwikkelingen binnen de lerarenopleidingen zijn de introductie van tweejarige opleidingen en een master met een andere finaliteit (in de stapel variant). Jan van Tartwijk (hoogleraar Educatie & Pedagogiek, UU) en Martijn Meeter (hoogleraar Onderwijs Wetenschappen, VU) geven aan waarom deze ontwikkelingen van belang zijn voor de universitaire lerarenopleidingen.

Waarom kiezen jullie aan de VU ervoor de tweejarige opleiding breed in te gaan voeren? Hoe verhoudt die zich tot de stapelvariant en kan je al iets zeggen over de instroom komende maand?
Martijn: We hadden hier verschillende redenen voor, maar de belangrijkste was dat we hopen beter geprepareerde leraren af te leveren. In een tweejarige opleiding kan je de vakinhoud meer toespitsen op wat relevant is voor het leraarschap. Ook kan de stage langer duren, bij ons anderhalf in plaats van een jaar. Dat kan goed uitpakken omdat theorie beter landt bij iemand die al voor de klas staat denken we en weet wat relevant is in de praktijk. Met zo’n lange stage is er ook meer tijd voor verdieping: vaak komt de interesse voor diepere vragen over onderwijs pas later in een stage, als de fase van overleven voorbij is.

Wat betreft instroom, die is nog duidelijk kleiner dan die in de stapelvariant. Maar stijgende. We denken met onze tweejarige lerarenopleidingen in de alfa- en gammahoek samen een student of twintig te kunnen verwelkomen dit jaar. Vorig jaar waren het er twee, dus als we die stijging van 1000% vast weten te houden...

Jan: Wij werken al langer met een tweejarige opleiding. De instroom daarin is substantieel en voor een aantal vakken net zo groot als in de eenjarige opleidingen (de stapelvariant).

Wat betekent de tweejarige opleiding voor de samenwerking met de faculteiten?
Martijn: Het betekent een intensievere samenwerking en meer gedeeld eigenaarschap. Dat vind ik een heel goede ontwikkeling.
 
Jan: In Utrecht worden alle lerarenopleidingen uitgevoerd vanuit een interfacultaire “Graduate School”: een samenwerkingsverband waarin alle schoolvakfaculteiten betrokken zijn. De uitvoering van de tweejarige opleiding past daar op een natuurlijke manier in. Vanuit het perspectief van de samenwerking met de faculteiten is het positief dat er in de tweejarige educatieve master meer ruimte is voor de vakinhoud. Er zijn daarom meer medewerkers vanuit die schoolvakfaculteiten betrokken wat de zichtbaarheid en het eigenaarschap van de lerarenopleidingen in die faculteiten verhoogt.
 
Hoe reageert het VO-veld op de introductie van de tweejarige opleidingen?
Martijn: Positief maar afwachtend. Het zou te veel zijn om te zeggen dat scholen dit als de heilige graal zien, maar ze zijn nieuwsgierig en werken hier graag aan mee. Het is ook hun verwachting dat we aankomende leraren zo beter voorbereiden op hun baan. Met de scholen zijn we bezig om een meer doorlopende lijn te maken van lerarenopleiding naar de begeleiding van startende leraren (BSL).

Jan: Onze partnerscholen zijn inmiddels ook vertrouwd met deze variant van de lerarenopleiding. Ze zijn positief, ook omdat er nu ruimte is voor studenten om eerder in hun universitaire studie al keuzes te maken die zijn gericht op het leraarschap. Ook bij ons wordt gewerkt aan de doorlopende lijn lerarenopleiding - BSL. Zeker voor de stapelvariant zien we daar veel perspectief: we willen die variant zo organiseren dat studenten het tweede deel van de opleiding makkelijker kunnen doorlopen met een baan in het onderwijs. De lerarenopleiding krijgt dan steeds meer het karakter van een professionalserings- en begeleidingstraject voor beginnende docenten.  
 
Waarom zou je bij de eenjarige master opleiding kiezen voor een andere finaliteit dan bij het ‘reguliere’ masterwerkstuk?
Martijn: Een andere finaliteit zou alleen gelden voor de stapelvariant. Bij de tweejarige lerarenopleiding moet een student zijn of haar masterwaardigheid nog bewijzen en is een gedegen wetenschappelijke thesis als eindwerk onmisbaar. Maar als een student al een vakmaster heeft hoeft de masterwaardigheid niet nog eens bewezen te worden met theorievormend onderzoek. Daarom sluiten de ULO’s niet af met een thesis maar met een praktijkonderzoek. Voor veel studenten voelt dat laatste echter toch als een tweede thesis, en bij de laatste accreditatie bleek de visitatiecommissie praktijkonderzoeken ook te beoordelen als ware het een thesis. We zetten iedereen dus op het verkeerde been.

Jan: Wij zitten op dezelfde lijn. Voor de tweejarige opleiding is een masterthesis een logisch onderdeel waarin de student op masterniveau zelfstandig wetenschappelijk onderzoek leert doen. Omdat studenten in de stapelvariant inderdaad al met een mastergraad binnenkomen roept het bij veel van hen weerstand op wanneer ze nòg een keer moeten aantonen zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te kunnen doen. De meesten van hen hechten aan een robuuste wetenschappelijke basis onder de opleiding maar er zijn andere manieren om daar invulling aan te geven dan een eindwerk in de vorm van een theorievormend onderzoek.

Hoe zou zo’n andere finaliteit ingevuld kunnen worden door studenten?
Martijn: We zouden een verzameling stukken samen als eindwerk kunnen benoemen. In het geval van de VU zou dat bijvoorbeeld zowel het verslag van het praktijkonderzoek kunnen zijn, als de meesterproef. Dat laatste is een lessenserie die de student ontwerpt, onderbouwt en uitvoert.

Jan: Wij denken er ook over om de ruimte die dan vrijkomt te benutten om meer ruimte te geven voor vakdidactische verdieping en ontwikkelopdrachten.

Wordt de opleiding door de invoering van een andere finaliteit aantrekkelijker voor studenten?
Martijn: Voor de student maakt het niet zoveel uit – die blijft dezelfde producten afleveren. Hoogstens voelt hij of zij wat minder druk. Het is vooral duidelijker voor de buitenwereld waar de kwaliteit van onze lerarenopleiding uit blijkt.

Jan: Ik denk dat voor studenten de positie van de lerarenopleiding helderder wordt wanneer we gaan werken met een andere finaliteit. Dat past in ons denken over het opleiden van leraren aan de universiteit als een opleiding tot eerstegraads docent met een totale studieduur van vijf of zes jaar. Daarin is veel ruimte voor vakinhoud, de vakinhoudelijke bachelor en masteronderwijs. En waarin tenminste een jaar wordt besteed aan het ontwikkelen van pedagogisch-didactische bekwaamheid. Aan studenten vragen om in zo’n traject niet twee keer maar één keer een masterthesis te schrijven, maakt een dergelijke opleiding niet alleen effectiever en efficiënter, maar uiteraard ook aantrekkelijker.
 

 

Martijn Meeter en Jan van Tartwijk