Print
 
 

FAQ's


Algemeen


Wanneer is sprake van een joint degree-opleiding?
Een joint degree-opleiding zal over het algemeen een gehele, gezamenlijke opleiding zijn. Maar een joint degree kan ook op het niveau van een afstudeerrichting worden vormgegeven.

Bij een accreditatieprocedure zullen gegevens aan de NVAO moeten worden overlegd, waaruit blijkt dat de buitenlandse instelling erkend of gerechtigd is om aan een joint degree deel te nemen (zie protocol).

Voor samenwerking met een buitenlandse instelling geldt dat deze de status van een hoger onderwijsinstelling moet hebben, aangezien de meeste landen geen binair stelsel kennen. Het is dus mogelijk dat een hogeschool en een universiteit samen een joint degree verzorgen. Op opleidingsniveau mag echter geen sprake zijn van binariteit. De opleiding dient een hbo óf wo orientatie te hebben.

De joint degree-opleiding is een opleiding waarvoor niet alleen een gezamenlijke graad wordt verleend, maar die ook gezamenlijk wordt verzorgd. Uit het curriculum moet die gezamenlijkheid blijken. De deelnemende Nederlandse instelling moet een proportioneel / substantieel deel van de opleiding zelf verzorgen. Het moet aldus gaan om een complementair programma.


In welk wetsartikel staan de bepaling voor de joint degree?

In Artikel 7.3c. Dit artikel luidt als volgt:

Artikel 7.3c Gezamenlijke opleiding of gezamenlijke afstudeerrichting
1. Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse instellingen of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of afstudeerrichting verzorgen. In dat geval is het instellingsbestuur van de betrokken Nederlandse instelling onderscheidenlijk zijn de instellingsbesturen van de betrokken Nederlandse instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8b, 7.9, 7.10a, 7.11, 7.12, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.

2. Voor andere dan de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden die betrekking hebben op een opleiding of afstudeerrichting, leggen de instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur verantwoordelijk is voor de uitoefening daarvan. De Nederlandse instellingsbesturen blijven voor de uitoefening van deze taken en bevoegdheden gezamenlijk verantwoordelijk ten opzichte van belanghebbenden buiten de instelling.

3. Als een student zich bij een instelling laat inschrijven voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting, wordt die student ook ingeschreven bij de opleiding van de andere instelling voorzover het een Nederlandse instelling betreft.

4. Indien een instellingsbestuur als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, ten aanzien van een ingeschreven student bevoegd is de hoogte van het collegegeld te bepalen, geldt in het geval die student ook is ingeschreven bij een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting in de zin van dit artikel, voor de vaststelling van de hoogte van het collegegeld niet het bij of krachtens de wet vastgestelde minimumbedrag.

Welke studieduur en omvang kan een joint degree-opleiding hebben?

De gezamenlijke opleiding heeft één duur en één omvang. Dit betekent onder meer dat ook een gezamenlijke afstudeerrichting de omvang/duur heeft van de opleiding waartoe het behoort.

De jaarlijkse studielast van een opleiding bedraagt 60 ECTS, waarbij 60 studiepunten gelijk zijn aan 1680 uren studie. Deze reguliere voorschriften omtrent de duur van een opleiding gelden (een bacheloropleiding is 180 (wo) of 240 studiepunten (hbo), een masteropleiding (60 of meer).

Net als geldt voor reguliere wo-masteropleidingen kan een joint degree-wo-master langer duren. In dat geval kan sprake zijn van een extra jaar studiefinanciering en bekostiging als deze opleiding op verzoek van de instelling door de minister is aangemerkt als een opleiding van 120 studiepunten.

Als de minister de opleiding niet aanmerkt, kan de instelling desalniettemin de opleiding langer laten zijn dan 60 studiepunten, maar dan zal de instelling de student (met wettelijk collegegeld) financieel moeten ondersteunen gedurende de nominale duur van die verlenging.

Voor joint degree-WO masteropleidingen met instelling(en) in het buitenland bestaat de mogelijkheid van een studieduur van 90 studiepunten. (Zie artikel 7.4a, lid 5, WHW).

Wat zijn de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de partners?
De Nederlandse instelling voert alle taken en bevoegdheden uit die horen bij het verzorgen van een opleiding volgens de Nederlandse regelgeving. Deze instelling is daarop geheel aanspreekbaar (zie ook o.a. art. 7.3c lid 1 WHW).

Wat zijn aandachtspunten bij de partnerkeuze?
Hieronder volgt een opsomming van aandachtspunten die een rol spelen bij de partnerkeuze en waarover overeenstemming moet worden bereikt voor het aangaan van samenwerking.

a) Mogelijkheid/onmogelijkheid om onder eenzelfde opleidingsbenaming en met eenzelfde opleidingsduur te werken;
b) financieringsstatus van de opleiding in het andere land; mogelijkheden betreffende inschrijvings-/studiegelden;
c) mogelijkheden betreffende gebruik van andere talen;
d) onderwijs- en examenreglement van de instelling en mogelijkheden voor evt. afwijkingen hierop.
e) let wel: rechten en plichten zoals tussen de instellingen overeengekomen moeten voor de student helder zijn. Het verdient de voorkeur dit in een consortium of via bilateral agreement te regelen. In het consortium agreement of bilateral agreement worden de rechten en plichten van de partners ten opzichte van elkaar en de student geregeld.
Deze overeenkomsten altijd laten ondertekenen door de wettelijke vertegenwoordiger.

Waar voorts op te letten bij partnerkeuze:

f) opleidingsomvang en wijze van organisatie van buitenlandse diploma’s;
g) (niveau van) het kwaliteitszorgsysteem van de buitenlandse partner(s);
h) goede financiële afspraken over de financiering van de joint degree-opleiding, met aandacht voor o.a. de verdeling van collegegelden en externe financiering;
i) hoe past de samenwerking in de missie en strategische doelstellingen van de instelling(en);
j) wat is het effect van samenwerking bij andere strategische partners?
k) de samenwerking tussen de instellingen vindt plaats op basis van voldoende eensgezindheid over de uitwerking van het programma. Om hier uitdrukking aan te geven tekenen de instellingen hiertoe bijvoorbeeld een Letter of Endorsement.
 
Welke specifieke eisen t.a.v. selectie gelden?
Geen specifieke bepalingen v.w.b. de toelating: reguliere bepalingen gelden. Toelating tot de joint degree-opleiding door de ene deelnemende instelling impliceert toelating tot de opleiding aan de andere deelnemende instelling.

Relevant is hierbij de Lissabon-erkennings conventie. Dat wil zeggen: als de student toegelaten zou worden in eigen land, wordt hij ook toegelaten in ander land, tenzij een substantieel verschil in vooropleiding/competenties gemotiveerd wordt.

De selectie op het niveau van een afstudeerrichting komt nu ook voor, maar is niet goed geregeld. Eigenlijk valt dit alleen maar goed te regelen als de afstudeerrichting juridisch kan worden onderscheiden, met name via de toelatingseisen per onderwijsmodule (het gaat dan om toelating, niet om overstappen naar een andere afstudeerrichting binnen een opleiding)

Joint degree-masteropleidingen zullen (bijna) per definitie selectief zijn. Zij bouwen immers doorgaans niet één op één voort op een bachelor.

Uit welke leden bestaat de examencommissie?
Voor elke opleiding of groep van opleidingen bestaat een examencommissie. De instellingen zijn hiervoor gezamenlijk verantwoordelijk. Ten minste één lid is als docent verbonden aan de opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort.

Hierdoor bestaat de facto de mogelijkheid van een gezamenlijke examencommissie.

Dit punt dient geregeld te worden in een consortium agreement of bilateral agreement.

Welke bijzonderheden gelden t.a.v. de rechtspositie van de student?
Voor de student gelden de bepalingen, bijvoorbeeld over de rechtsbescherming, zoals die bij de desbetreffende Nederlandse instelling gelden. Dit is ook het geval indien deze mogelijkerwijs niet geheel sporen met die van de buitenlandse instelling.

Voor de rechtsbescherming geldt dat de procedure bij de instelling waaraan de student is ingeschreven geldig is; mocht de student een geschil hebben met een andere instelling dan waar hij of zij staat ingeschreven, zal de desbetreffende instelling betrokken worden in de procedure.