Print
 
 

Actielijnen Lerarenagenda


De VSNU lerarenagenda bevat 11 actielijnen:

 

1. Intensiveren van de voorlichting en werving voor de lerarenopleidingen, gericht op zittende studenten in wo, hbo, promovendi en zijinstroom.


De prioriteit voor de intensivering van de voorlichting en werving ligt bij de tekortvakken zoals wis-, schei- en natuurkunde en niet bij de overschotvakken geschiedenis, aardrijkskunde, biologie en maatschappijleer. OCW heeft vanuit de impuls leraren tekortvakken middelen voor campagnes op universiteiten beschikbaar gesteld. Hieruit wordt onder andere geïnvesteerd in Eerst de Klas, Onderwijstraineeship en eerstegraads opleidingen voor leraren in de talen.  

 

2. Introduceren van geschiktheidsonderzoeken voor zittende studenten, promovendi en zijinstromers.


Het aanpassen van de verwantschapstabellen en het introduceren van “geschiktheidsonderzoeken” voor zittende studenten, promovendi en mensen die later in hun loopbaan voor het onderwijs willen kiezen. Zo’n geschiktheidsonderzoek, dat zowel gaat over de geschiktheid voor het leraarsberoep als over de daarvoor noodzakelijke vakbekwaamheid, levert ook een opleidingsplan op, bijvoorbeeld ten behoeve van programma’s als Eerst de Klas, Onderwijstraineeship en zijinstroom. Ook de verbreding van de bachelorfase en de toenemende specialisatie binnen de masterfase maken geschiktheidsonderzoeken noodzakelijk. De academische opleidingen passen steeds minder 1-op-1 op de schoolvakken. Potentie in plaats van deficiëntie staat dan centraal. In dit kader zijn ook studenten van honours programma’s en University Colleges interessant voor de lerarenopleidingen.

 

3. Vergroten van maatwerk en flexibiliteit van de lerarenopleidingen door middel van het creëren van meerdere startmomenten, stoomcursussen en modularisering en temporisering van de lerarenopleiding.


OCW is gevraagd om flexibilisering van de huidige lerarenopleidingen mogelijk te maken om verschillende (doel)groepen beter te bedienen. Dit moet vanaf september 2017 mogelijk worden via een postgraduate opleiding. Flexibilisering zou er ook toe moeten leiden dat meer promovendi tijdens het promotietraject onderdelen van de lerarenopleiding kunnen volgen. Een oriëntatie van bijvoorbeeld 15 EC moet mogelijk zijn. Nader uitgewerkt wordt op welke wijze de interesse voor en bekwaming in leraarschap gestimuleerd kan worden, terwijl tegelijkertijd het promoveren niet in gevaar wordt gebracht.

4. Het opstellen van een analyse met betrekking tot de academische lerarenopleiding primair onderwijs met als belangrijke vraag of er behoefte is aan een andere opleidingsvorm voor leraar basisonderwijs.


Naast het voortgezet onderwijs, zijn de universitaire lerarenopleidingen ook betrokken bij het primair onderwijs. De PO-Raad doet een beroep op de universiteiten om deze betrokkenheid te vergroten. De PO-Raad en VSNU zijn daarom samen aan de slag gegaan met een analyse naar een volledig universitaire lerarenopleiding voor het primair onderwijs. 

Deze analyse is in de zomer van 2015 afgerond. Uit het onderzoek blijkt dat scholen en schoolbesturen behoefte hebben aan meer diversiteit in de schoolteams. Leraren die over academische, onderzoekende vaardigheden beschikken, kunnen daarbij de brug slaan naar het benutten van onderwijsonderzoek. Zij kunnen ook beter de vragen vanuit de schoolpraktijk vertalen naar vragen voor universitair onderzoek.

De huidige academische pabo’s weten vwo’ers al te interesseren voor een veelzijdige opvatting van het leraarsvak (leraar, onderzoeker, adviseur, ontwerper). Zij worden opgeleid vanuit twee perspectieven: uitvoerend op basis van wetenschappelijke inzichten en die uitvoering onderzoekend met behulp van wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksmethoden, gericht op optimalisering van de praktijk. Diversiteit in het team wordt verder versterkt door verschillende opleidingsroutes voor instromende leraren te realiseren. In dat kader past ook de universitaire lerarenopleiding.

5. De structurele inbedding van overheidsprogramma’s voor het stimuleren van de zijinstroom als Eerst de Klas (EdK) en Onderwijstraineeship (OTS).


Bij de structurele inbedding van programma’s als Eerst de Klas (EdK) en Onderwijstraineeship (OTS) moet vooral gekeken worden naar aantallen die ‘haalbaar’ zijn en niet die ‘wenselijk’ zijn. De financiering, kwaliteitszorg en verantwoording ervan moeten zo veel mogelijk via de reguliere kanalen van opleiding en zijinstroom lopen, zodat universiteiten – via duale trajecten - optimaal kunnen opschalen.

 

6. Het aanbieden van begeleiding vanuit de universitaire lerarenopleidingen aan beginnende leraren (inductiefase).


Hoofddoel van het aanbieden van begeleiding aan startende leraren is de uitval onder beginnende leraren terug te dringen. Tegelijkertijd de reflectie, collegialiteit, openheid en persoonlijke groei binnen de groep van beginnende leraren te bevorderen. Vanuit het belang van een gemeenschappelijk aanbod richting vo-scholen wordt binnen deze actielijn nadrukkelijk samenwerking gezocht met de betrokken hogescholen. Ook de samenwerking met de (academische) opleidingsscholen wordt als een belangrijk instrument gezien om een impuls te geven aan de kwaliteit van beginnende leraren en de samenwerking in de regio te versterken. De universitaire lerarenopleidingen hebben daarom gezamenlijk een kader opgesteld waarbinnen consortia van wo- en hbo-lerarenopleidingen vo-scholen voorstellen kunnen indienen gericht op begeleiding van startende leraren in de eerste drie jaar binnen een school. OCW heeft hiervoor middelen beschikbaar gesteld.

7. Het proces van visitatie en accreditatie in 2013/14 wordt aangegrepen om –indien nodig- verbeteringen bij de lerarenopleidingen door te voeren.


Aan visitatieorganisatie QANU is gevraagd, naast het visitatierapport, ook een state of the art report op te stellen met best practices en aanbevelingen voor de toekomst. Daarnaast heeft de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) een systeembrede analyse van de universitaire lerarenopleidingen opgesteld. De VSNU kijkt naar deze documenten om te bepalen welke verbeteringen worden doorgevoerd.
 

8. Het nemen van maatregelen gericht op een verdere verhoging van het niveau van lerarenopleiders. Dat kan bijvoorbeeld door het aantal disciplinair of didactische gepromoveerde lerarenopleiders verder te verhogen.


Het verhogen van het niveau van lerarenopleiders  kan bijvoorbeeld door het aantal disciplinair of didactisch gepromoveerde lerarenopleiders verder te verhogen, de eisen aan registratie te verhogen en/of het aantal registraties in het VELON-register te laten toenemen. Professionalisering is uiteraard belangrijker dan registratie.
 

9. Het instellen en versterken van zogenoemde ‘werkveldcommissies’ (of een eigen andere benaming) waarin periodiek overleg plaatsvindt tussen de lerarenopleiding en een aantal vo-scholen in de regio.


Het doel van werkveldcommissies is om vo-scholen meer te betrekken bij de verdere verbetering van (het curriculum van) lerarenopleidingen en de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen te verbeteren. Alle universiteiten zijn actief in een werkveldcommissie in hun regio.

10. Het bevorderen van academische opleidingsscholen met een ‘academische werkplaatsfunctie’ in elke regio.


In academische opleidingsscholen met een ‘academische werkplaatsfunctie’ in elke regio, moeten mogelijkheden komen tot het verrichten van door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek van NWO gefaciliteerd (praktijk)onderzoek. Academische opleidingsscholen waarin zowel aandacht is voor het opleiden van studenten als het verrichten van onderzoek zijn netwerken van scholen van primair en voortgezet onderwijs, ROC’s, hogescholen en universiteiten. Zij werken bijvoorbeeld samen rondom (voor die regio belangrijke) praktisch relevante onderzoeksvraagstukken. Hierdoor wordt onder andere het formuleren van goede onderzoeksvragen verbeterd. In deze netwerken zouden vooral leraren zelf, in samenwerking met onderzoekers, een concrete bijdrage moeten leveren aan verbetering van het onderwijs. De academische opleidingsscholen hebben hierbij een spilfunctie. Het initiatief van OCW gericht op bovenschoolse “professionele leergemeenschappen” (PLG) zou hier zo spoedig mogelijk onderdeel van moeten uitmaken. Voor de uitbouw van professionele leergemeenschappen heeft OCW vanuit de impulsgelden middelen beschikbaar gesteld.

11. Het professionaliseren van de zittende leraar en schoolleider door als universiteiten al dan niet gezamenlijk het scholingsaanbod te vergroten en transparanter te maken en meer maatwerk te bieden.


Iedere leraar zal moeten werken aan de verbetering van zijn of haar (school)vakinhoudelijke, (vak)didactische, pedagogische en organisatorische vaardigheden. Daarnaast zou professionalisering tevens gericht moeten zijn op het bijbrengen van kennis en vaardigheden die de leraar in staat stellen na een aantal jaren doceren de overstap naar andere maatschappelijke posities te maken. De universiteiten kunnen en willen een bijdrage leveren aan de verdere professionalisering van zittende leraren en schoolleiders. Zij kunnen al dan niet gezamenlijk het scholingsaanbod te vergroten en transparanter te maken en meer maatwerk te bieden.