Print
 
 

Het promotietraject als derde cyclus


In deze workshop onder leiding van TUD rector Karel Luyben en WUR-onderzoeker Gab van Winkel werd er gesproken over de promotie als volgende stap in de cyclus van de bachelor en master opleiding. Het promotietraject heeft de laatste jaren meer opleidingsaspecten gekregen, onder meer om de grotere aantallen promovendi ook voor te bereiden op een carrière buiten de universiteit. Voor het verbeteren van de inbedding van deze training werden tijdens de workshop vele suggesties gedaan, bijvoorbeeld voor elk type promovendus een “go – no go” moment na één jaar of het opstellen van een opleidings- en begeleidingsplan. De deelnemers waren het er over eens dat een training volgens het stramien voor bachelor en master opleidingen niet gewenst is, omdat doel en inhoud van de training door de kwaliteiten van e promovendus en door de aard van het onderzoek worden bepaald. 


De deelnemers onderschreven de gedachte dat het promotietraject als een opleiding gezien moet worden. Het doel van deze opleiding is niet alleen het afleveren van een proefschrift, maar juist ook het opleiden van een wetenschappelijk gevormd individu. Dat laatste vergt ruimte voor en het faciliteren van het trainen van andere vaardigheden zoals transferable skills, gedrag en houding. Daarmee kunnen promovendi zich ook voorbereiden op een carrière buiten de universiteit; de doorstroom mogelijkheden binnen de universiteit zijn immers beperkt. Deze training van promovendi past echter niet binnen het stramien zoals dat gebruikelijk is voor bachelor en master opleidingen. Volgens de deelnemers is de vergelijking met het volgen van professionele bijscholing zoals artsen en advocaten dat doen. De opgedane kennis kan worden gecertificeerd door het afgeven van een addendum bij de bul, dit is bij enkele universiteiten al gebruikelijk. 


Ook werd er gesproken over de duur van het promotieproject, deze is, met een beoogde lengte van vier jaar, al ruim vergeleken met andere landen terwijl veel promovendi uitlopen tot gemiddeld 5,5 jaar. Universiteiten worstelen hiermee omdat er vaak wrijving ervaren wordt tussen de contractduur en de inhoudelijke eisen aan het proefschrift. Tegelijkertijd werd er ook opgemerkt dat de kwaliteit van de Nederlandse proefschriften soms te hoog is. Daarin ligt ook een deel van de oorzaak van de lange duur van de promoties. De hoogleraar zou daar ook beter op moeten toezien. Een instrument dat enkele universiteiten hiervoor gebruiken is het opleidings- en begeleidingsplan. Hierin worden afspraken gemaakt over de planning en onderzoeksopzet, de training van de promovendus en wordt de voortgang van het promotie onderzoek besproken met een externe hoogleraar. Daarnaast zou het goed zijn als voor elk type promovendus na één of twee jaar een “go – no go” gesprek wordt gehouden en jaarlijkse voortgangsgesprekken waarin wordt bekeken of de promovendus op koers ligt.


Tot slot werd er ook gesproken over de buitenpromovendi: promovendi die hun onderzoek, vaak in eigen tijd, voornamelijk buiten de universiteit verrichten. Deze groep blijft hierdoor gemakkelijk buiten beeld waardoor zij soms aandacht te kort komen. Door voor deze promovendi voortaan ook opleidings- en begeleidingsplannen op te stellen kan voorkomen worden dat zij buiten de boot vallen.



Bekijk hier TUD rector Karel Luyben die een pleidooi houdt voor de gelijke behandeling van alle promovendi (werknemer en student).



Bekijk hier Lou de Leij van de RUG die vertelt over de ruimte die geboden wordt binnen het opleidingstraject voor het opdoen van 'transferable skills'.