Print
 
 

Workshop 6: Jurisprudentie examencommissies: zicht op de interpretatie van wettelijke bepalingen door de rechter

 

Frank Hendriks, Hobéon


Voor een goed gevulde zaal van examencommissieleden, -voorzitters en secretarissen en een kleiner aantal juristen en andere belangstellenden, ging Frank in zijn presentatie in op de volgende onderwerpen:

  • Procesrecht
  • Fraude
  • (Her)beoordelingen van tentamen
  • Vrijstellingen
  • Examinatoren

 

De meeste aanwezigen ervaren inderdaad dat de praktijk juridiseert. Met de toenemende tijdsdruk en invoering van het leenstelsel zal dat niet minder worden. In het beleid en in de uitvoering zullen examencommissies daarop moeten anticiperen. Nodig daarvoor is in eerste instantie kennis van de wettelijke voorschriften/bepalingen, maar ook van (juridische) achtergronden en bedoeling van de wettelijke voorschriften. Het bestuderen van jurisprudentie kan daarbij helpen.

In zijn presentatie had Frank voor alle onderwerpen een paar uitspraken geselecteerd. Zoals door Frank voorspeld, lukte het niet alle onderwerpen af te werken, door de inbreng van ervaringen uit de zaal, de vele vragen en levendige discussie al direct bij de eerste twee onderwerpen, is het onderwerp examinatoren niet meer aan bod gekomen.

Alvorens een ingediend beroepsschrift inhoudelijk in behandeling te nemen gaat de COBEX of CBE (College van Beroep voor de Examens, beide afkortingen worden gebruikt) bij examencommissie na of minnelijke schikking mogelijk is. Alleen voor de student is vervolgens (hoger) beroep mogelijk bij het CBHO (College van Beroep voor het Hoger Onderwijs) in Den Haag. Daarnaast kan de student eventueel, bij wanprestatie of onrechtmatige daad aan de kant van de universiteit,  nog naar de civiele rechter voor een schadevergoeding.

Zorgvuldigheid in taakuitvoering lijkt voor examencommissies de belangrijkste boodschap te zijn. Zorg voor duidelijk beleid, communiceer het beleid en motiveer bij verschil van mening met een student of docent de op het beleid gebaseerde individuele besluiten.  

Common sense, behoorlijk bestuur, open communicatie  en beleefde omgangsvormen zijn onontbeerlijke ingrediënten. Maar nog niet voldoende, want behalve dat situaties niet altijd eenduidig zijn, zijn de wetsartikelen dat ook niet. En is een goede interpretatie pas mogelijk wanneer ook de bedoeling van formuleringen worden meegenomen.

Zo staat bijvoorbeeld bij de definitie van fraude die het CBHO geeft “…wanneer geen eerlijk en correct oordeel kan worden gegeven over onder meer iemands kennis, inzicht en vaardigheden en beroepshouding…”. Deze formulering krijgt pas betekenis wanneer je je afvraagt waarom de student eigenlijk de plicht heeft eerlijk te zijn (= geen fraude te plegen). Die plicht rust op de volgende drie pijlers:

  • Zelfstandige inspanning, om juist oordeel over niveau te geven.
  • Civiel effect diploma.
  • Onderwijsovereenkomst; wederzijdse inspanningsverplichtingen


De wet onderscheidt tussen “fraude” en “ernstige fraude”, maar geeft geen precieze definitie, laat staan een operationalisering. Daarin moeten de examencommissies zelf voorzien; de verantwoordelijkheid daarvoor plus het vaststellen van de sancties ligt nl bij de examencommissies, zo blijkt ook uit jurisprudentie van CBHO. In theorie zouden er tussen en binnen een instellingen dus verschillen kunnen zijn. In de praktijk is er natuurlijk afstemming, maar dat verandert de verantwoordelijkheid niet. Ook waar het gaat om (zelf)plagiaat zal de examencommissie zelf moeten zorgen voor een definitie en operationalisatie. De kern daarvan zal dan gevonden moeten worden in het verduidelijken van hoe daardoor “… geen eerlijk en correct oordeel over onder meer iemands kennis, inzicht en vaardigheden en beroepshouding…” gegeven kan worden.

Een laatste tip van Frank Hendriks: Alle arresten die genoemd zijn de powerpointpresentatie zijn uiteraard lezenswaardig/belangwekkend, maar als je moet kiezen lees dan vooral CBHO 2014/096.  


Meer informatie over de digitale reader vindt u in de powerpointpresentatie.