Print
 
 

Opleidingsaccreditatie


Universitaire opleidingen worden elke 6 jaar beoordeeld op kwaliteit door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Deze opleidings-accreditatie is zeer uitgebreid: ook zaken die de universiteit als geheel betreffen, worden geëvalueerd. Sinds 2011 kunnen opleidingen een minder uitgebreide evaluatie aanvragen. Daarvoor moet een universiteit wel over een positieve 'instellingstoets kwaliteitszorg' beschikken.


Verkorte evaluatie voor alle opleidingen

Vrijwel alle universiteiten hebben inmiddels de instellingstoets met positief resultaat doorlopen. Alle opleidingen van universiteiten met deze positieve instellingstoets mogen gebruikmaken van de verkorte evaluatie.
Met combinatie van een instellingstoets en beperkte opleidingsaccreditatie wil de overheid de administratieve lasten verminderen. Uit evaluaties in 2013 blijkt dat dit echter niet is gelukt. Als reactie wil de minister het stelsel per 2017 weer wijzigingen door hoofdzakelijk ‘verdiend vertrouwen’ te belonen. Bij de vormgeving van deze nieuwe accreditatiecyclus zijn, naast de VSNU, ook de NVAO, Vereniging Hogescholen, de inspectie van het onderwijs en studentenkoepels betrokken.


Het accreditatieproces

De accreditatie verloopt in drie stappen. De eerste stap van het accreditatieproces is de kritische zelfevaluatie. De opleiding geeft hierin zelf antwoord op de drie centrale vragen van de NVAO:

  • Wat beoogt de opleiding? (beoogde eindkwalificaties)
  • Hoe realiseert de opleiding dit? (onderwijsleeromgeving)
  • Worden de doelstellingen bereikt? (toetsing en gerealiseerde eindkwalificaties)


De tweede stap is het bezoek van de commissie van deskundigen, de visitatie. De commissie schrijft vervolgens een visitatierapport op basis van het bezoek en de zelfstudie. De instelling of opleiding wordt beoordeeld en  krijgt het predicaat 'excellent', 'goed', 'voldoende' of 'onvoldoende'. Het uiteindelijke accreditatiebesluit van de NVAO is de derde stap. Dit besluit wordt opgemaakt op basis van het visitatierapport.


Accreditatie in clusters

Opleidingen in Nederland worden overwegend geaccrediteerd in clusters. Dit zijn groepen van opleidingen met inhoudelijk nauw verwante programma's. Deze opleidingen stellen gezamenlijk een commissie van deskundigen aan. Het grote voordeel van deze ‘clustervisitaties’ is dat de commissie meerdere opleidingen bezoekt waardoor zij de opleidingen goed kan vergelijken en een volledig beeld van de sector krijgt. Dit laatste resulteert steeds vaker in een ‘state of the art’-rapport dat de kwaliteit van het onderwijs in een cluster beschrijft.


Ontstaan van het accreditatiestelsel

Het Nederlandse accreditatiestelsel is (mede)ontstaan door de Bologna-afspraken in 1999. Om het hoger onderwijs in Europa uniformer te maken, werd de bachelor-masterstructuur ingevoerd. Hierdoor werd uitwisseling van studenten gemakkelijker en konden opleidingen met elkaar vergeleken worden. De maatregelen rond gemeenschappelijke kwaliteitsmaatstaven leidden tot het huidige accreditatiestelsel. In Nederland begon dit met de oprichting van (voorganger van) de NVAO in 2002. In 2005 sloot ook Vlaanderen zich bij deze organisatie aan, waardoor de NVAO een feit werd. Het accreditatiestelsel dat ontstond, bouwde voort op de opleidingsvisitaties die de universiteiten sinds 1985 op eigen initiatief uitvoerden.