Print
 
 

Dossier Promotiestudent

 

Actualiteit:


VSNU teleurgesteld over uitblijven wettelijke regeling promotiestudent 


Onderwijsminister Jet Bussemaker heeft bij de presentatie van het wetsvoorstel ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’ aangekondigd dat het beleid rond de promotiestudent  niet op korte termijn wettelijk wordt geregeld. Ze heeft dit besluit genomen na kritiek van de Raad van State. Het wetsvoorstel gaat nu de ijskast in. Universiteiten mogen wel op beperkte schaal gaan experimenteren met de inzet van promotiestudenten


Universiteiten zijn teleurgesteld dat er ondanks de eerder gedane toezeggingen in het hoofdlijnenakkoord tussen de minister en de universiteiten nog steeds geen wettelijke regeling voor de inzet van  promotiestudenten is.


Universiteiten herkennen de kritiek van de Raad van State op het oorspronkelijke wetsvoorstel niet.  De Raad denkt onterecht dat buitenlands toptalent niet meer naar Nederland komt als ze een beurs krijgen in plaats van een contract als werknemer. De VSNU ziet de promotiestudent niet als een vervanging, maar juist als een welkome aanvulling op de bestaande vormen van promoveren. Er zal altijd behoefte blijven aan de werknemer-promovendus.


Inmiddels is het overleg tussen de VSNU en OCW gestart over de invulling van de voorwaarden waaronder de experimenten kunnen plaatsvinden.




Achtergrond:

 

De promotiestudent: uitwerking differentiatie in het promotiestelsel

 

De Nederlandse universiteiten willen met hun promotiebeleid zoveel mogelijk talent aan zich binden. Om deze reden zijn zij voorstander van differentiatie in het promotiestelsel. Alleen via maatwerk kan tegemoet gekomen worden aan de uiteenlopende contexten waarin de huidige promovendi en de universiteiten zich bevinden. Ook op dit moment zijn er al vele wegen die leiden naar een doctoraat; variërend van de gebruikelijke werknemer-promovendus (tot 2003 AIO genaamd), de promoverende wetenschappelijke medewerker, de duale- en buitenpromovendus, en de (buitenlandse) beurspromovendus.

 

Een meer flexibele opvatting doet recht aan deze gevarieerde praktijk. Om de uitersten te noemen: soms is een promovendus vooral werkzaam op een extern gefinancierde onderzoeksopdracht en dan is de werknemerpositie geëigend, soms is de promotie meer een opleiding met alle rechten en plichten die deze positie met zich meebrengt. Het is daarbij belangrijk dat de verschillen in positie duidelijk zichtbaar zijn in de aard van het promotietraject: bij de student staat de opleiding voorop, bij de werknemer de opdracht. De promotiestudentplaats is voor sommige studenten aantrekkelijk vanwege de grotere vrijheid en de grotere aandacht voor onderwijs.

 

De status van de promotiestudent is nu niet afdoende geregeld, hetgeen afgelopen jaren geleid heeft tot juridische procedures en veel onduidelijkheid, ook op fiscaal gebied. Om mogelijke misverstanden weg te nemen: de Nederlandse universiteiten beschouwen de positie van werknemer-promovendus nog immer als de aantrekkelijkste vorm van het promotietraject. Echter, nu de wetenschappelijke wereld in toenemende mate internationaliseert is het van groot belang dat het Nederlandse promotiestelsel aansluit en blijft aansluiten bij de internationale ontwikkelingen en de internationale standaard. De meeste landen in Europa hebben een gemengd stelsel, met promovendi met de status van een student en daarnaast de werknemer-promovendi, afhankelijk van de aard van het promotietraject. In een groot aantal disciplines is een marktconforme beloning noodzakelijk, en bij promoties gefinancierd uit de derde geldstroom heeft de geldverstrekker bovendien een belang bij een via het werknemerschap goed geregelde gezagsverhouding.

 

Internationale ontwikkelingen vormen een belangrijke reden voor meer differentiatie. Via het Bolognaproces is men in Europa al geruime tijd bezig de verschillende systemen van hoger onderwijs beter op elkaar af te stemmen. Het uiteindelijke doel is te komen tot één Europese Hoger Onderwijs Ruimte (EHEA), waarin studenten eenvoudig onderdelen van hun studie in een ander Europees land kunnen volgen. Na de succesvolle invoering van de bachelor-master structuur, staat nu de harmonisering van de derde cyclus, de promotiefase, op de Europese agenda. De promotiefase is dan onderdeel van het hoger onderwijs, en veel minder de eerste stap van een onderzoekscarrière. De nadruk komt hiermee veel meer te liggen op het opleidingsaspect van het promotietraject. De studentstatus geeft universiteiten meer mogelijkheden om samen met buitenlandse universiteiten joint-phd-programs op te zetten.

 

Een aanvullende reden de kwestie beter te regelen zijn de dreigende fiscale en sociale verzekeringsclaims voor de beurzen van de huidige (buitenlandse) beurspromovendi. De hoogte van de meeste (buitenlandse) beurzen is niet berekend op afdrachten. De universiteiten zijn huiverig om een aanvulling op een dergelijke beurs te verstrekken juist door mogelijke arbeidsrechterlijke claims.


Deze afroming is ook niet in het belang van de beursverstrekkers, zoals OCW en BuZa.

 

Contactpersoon: Johan Huysse

Downloads

Passend promoveren