Print
 
 

Grensverleggend onderzoek onder druk door verandering in onderzoekfinanciering

Het wetenschappelijk onderzoek dat universiteiten uitvoeren wordt op twee manieren gefinancierd:

  1. Historisch gezien is de onderzoekbijdrage die universiteiten van de rijksoverheid ontvangen de belangrijkste financieringsbron (eerste geldstroom). Dit geld is in principe vrij besteedbaar: universiteiten kunnen zelf bepalen voor welk onderzoek ze het inzetten.
  2. De afgelopen jaren zijn de zogenaamde tweede en derde geldstroom steeds belangrijker geworden. Voor deze geldstromen geldt dat wetenschappers onderzoekvoorstellen moeten indienen bij externe partijen (bijvoorbeeld NWO, de EU of bedrijven). Deze partijen bepalen welke projecten en onderzoekers gefinancierd worden.

 

    VSNU pleit voor extra en gebalanceerde financiering
    De verhouding tussen de geldstromen is de afgelopen jaren sterk veranderd. Afgezet tegen het Bruto Binnenlands Product is het onderzoekdeel van de eerste geldstroom de laatste decennia flink gekrompen. Een steeds groter deel van onze wetenschappers werkt aan onderzoeken die gefinancierd worden door externe partijen; een steeds kleiner deel werkt aan onderzoek dat gefinancierd wordt uit de rijksbijdrage. De VSNU pleit voor een extra investering in de eerste geldstroom om de onderzoekfinanciering in balans te brengen en te versterken.

     

     

    Ruimte voor nieuw grensverleggend onderzoek is beperkt
    Dat universiteiten steeds afhankelijker zijn van externe geldstromen, heeft gevolgen voor het onderzoek en de wetenschappers. Een belangrijk nadeel is dat er steeds minder ruimte voor wetenschappers is om zelf te starten met fundamenteel onderzoek waarvan de uitkomsten zeer onzeker maar potentieel baanbrekend zijn. Lang niet alle externe financiers zijn geneigd dit risicovolle grensverleggende onderzoek te financieren. Bovendien is de bijdrage van externe financiers voor onderzoeksprojecten vaak niet kostendekkend: financiers als NWO en de EU vergoeden slechts een deel van de daadwerkelijke kosten. Het meest recente onderzoek laat zien dat de universiteiten in 2012 gemiddeld €740 moesten bijleggen voor elke €1000 aan externe financiering. Doordat universiteiten zeer succesvol zijn in het binnenhalen van onderzoeksprojecten in opdracht van derden, moet er steeds meer ‘gematcht’ worden. In 2012 werd €1.164 miljoen uit de eerste geldstroom ingezet voor matching; dit is gelijk aan 65% van het onderzoekdeel uit de eerste geldstroom. Gevolg hiervan is dat een steeds kleiner deel van de eerste geldstroom beschikbaar is voor eigen grensverleggende onderzoeksprojecten.

     

    Wetenschappers ervaren de consequenties
    Voor wetenschappers betekent het toenemend belang van externe geldstromen dat zij veel meer tijd moeten investeren in het schrijven van onderzoeksvoorstellen. Dit terwijl de kans dat aanvragen worden toegekend al jaren afneemt. Daardoor besteden onderzoekers steeds meer tijd aan het schrijven van onderzoeksvoorstellen die niet zullen worden gefinancierd.

    Een tweede belangrijk gevolg is dat het steeds lastiger is om met een vast onderzoeksteam duurzaam kennis op te bouwen. De universiteiten streven ernaar wetenschappers zoveel mogelijk een vast contract te geven. Financiering uit de tweede en derde geldstroom is echter per definitie tijdelijk en project- of persoonsgebonden. Als een project afloopt, is het zeer onzeker of een universiteit middelen heeft om de betreffende onderzoekers in dienst te houden. De toename van onzekere en tijdelijke onderzoekfinanciering gaat daarom gepaard met een toename aan projectgebonden aanstellingen voor onderzoekers.