sluit X

Stuur door naar:

* Naam van de geadresseerde
*, (xx@domain.nl) E-mail adres van de geadresseerde.
Stuur eventueel een opmerking of toelichting mee.

Waarom hebben universiteiten eigen middelen voor onderzoek nodig? Zijn subsidies voor individuele onderzoekers niet effectiever?


Universiteiten bieden een vruchtbaar klimaat voor hoogstaand en vernieuwend onderzoek. Om excellentie te bevorderen hebben universiteiten eigen capaciteit nodig. Daarmee kunnen zij investeren in de randvoorwaarden die onderzoekers van formaat opleveren: mensen, onderzoekslijnen en faciliteiten. Van daaruit kunnen hun onderzoekers deel uitmaken van een wereldwijd netwerk van onderzoekers, individueel en in groepsverband. Extra fondsen en subsidies aan individuele onderzoekers en groepen komen hieruit voort en versterken dat.

Onderzoeksmiddelen in Nederland worden zowel direct aan de onderzoeker als aan de universiteit toegewezen. De financiering gebeurt via de zogenaamde eerste, tweede en derde geldstroom. De eerste geldstroom is de basisfinanciering vanuit OCW en vormt het ‘eigen’ geld van de universiteiten. Deze basisfinanciering, de Strategische Onderzoekscomponent (SOC), schept ruimte voor eigen investeringen en faciliteiten als bibliotheken en, laboratoria.

De tweede en derde geldstroom bestaan uit onderzoekssubsidies vanuit overheden, bedrijven en collectebusfondsen. Programma’s als de Vernieuwingsimpuls (Veni, Vidi, Vici) en de European Research Council (ERC) vormen een directe subsidiestroom voor onderzoekers. Onderzoeksgroepen ontvangen middelen via andere tweede geldstroomprogramma’s.

Universiteiten besteden een zo groot mogelijk deel van de financiering aan het “primaire proces”: onderzoek en onderwijs. ‘Eigen’ geld voor onderzoek is nodig voor profilering, keuzes en faciliteiten van de universiteit, maar ook voor risicovol en experimenteel onderzoek. Dit ‘soort’ onderzoek komt in de tweede en derde geldstroom minder aan bod. Directe financiering door de universiteit heeft ook het voordeel dat geen middelen voor selectie en beoordeling hoeven te worden gebruikt.

Budgetallocatie ondersteunt de keuzes over onderzoek. Meedoen in de internationale concurrentie vraagt bijvoorbeeld om schaalvergroting, focus en heldere inzet van middelen. Hierbij geldt vaak “nieuw voor oud”: nieuwe onderzoekslijnen opzetten betekent ook het stopzetten van minder veelbelovend of kwalitatief minder onderzoek. Deze keuzes worden continu gemaakt. De onderzoekers zijn hierbij nauw betrokken, maar de universiteit hakt uiteindelijk de knoop door. Daarbij is de efficiënte inzet van onderzoeksfaciliteiten ook van groot belang. Universiteiten moeten faculteitsoverstijgend middelen vrij kunnen maken voor bijvoorbeeld cleanrooms en laboratoria.

Tot faculteitsoverstijgende faciliteiten horen ook huisvesting, computers en bibliotheken. Door op centraal niveau te investeren wordt de efficiëntie vergroot en kunnen de onderzoekers hierin een directe stem hebben. Huisvesting en faciliteiten staan vaak te boek als “indirecte kosten”. Bij toekenning van NWO-subsidies draagt de universiteit zelf de financiën voor huisvesting en andere faciliteiten bij. Deze cofinanciering of ‘matching’ is vaak even groot als de subsidie zelf. Een groot aantal universiteiten is zo succesvol in het verkrijgen van Nederlandse en Europese subsidies dat de hele basisfinanciering dient als cofinanciering. Zij kunnen daarom alleen nóg succesvoller zijn als hun basisfinanciering vergroot wordt.

Download pdf

 

Informatie voor pers en politiek

Meike Verhagen, woordvoerder VSNU 06-43 26 97 55

 

De film van 1,5 miljard
Investering in kennis essentieel voor internationale positie Nederland