Print
 
 

Universiteiten gaan zorgvuldig om met dierproeven

Het gebruik van proefdieren in dierproeven zijn vaak noodzakelijk om bijvoorbeeld goed onderzoek te doen naar de ontwikkeling van medicijnen en naar ernstige ziekten, maar ook naar methoden hoe dieren behandeld kunnen worden.

Om te zorgen dat proefdieren alleen gebruikt worden als het strikt noodzakelijk is, werken universiteiten aan het 3V-beleid. Universiteiten zorgen waar mogelijk voor 1) vervangende alternatieven voor proefdieronderzoek, ze 2) verminderen het aantal proefdieren, en 3) verfijnen het onderzoek zo dat het leed of ongemak voor een proefdier wordt verminderd. 
Daarnaast is de VSNU sinds 2019 officieel aangesloten als partner bij het programma Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI) en werken de universiteiten in dit verband onder meer aan een streefbeeld voor proefdiervrije innovatie in het onderwijs.

 

Thema's:

Het aantal proefdieren neemt af

Strenge vergunningen voor verschillende soorten proeven

Wetenschap zet in op alternatieven voor dierproeven

Het proces van een aanvraag van een dierproef

 


 

Het aantal proefdieren neemt over de gehele lijn af, maar is in 2017 toegenomen


Sinds de jaren 80 is het aantal dierproeven sterk afgenomen; tussen 1978 en 2017 met ongeveer 70% [1], zo blijkt uit het jaaroverzicht dierproeven en proefdieren 'Zo doende 2017' van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

 

 


Dierproeven bij universiteiten en medische centra 


Het aantal dierproeven verschilt van jaar tot jaar. In 2017 zijn op de universiteiten en universitair medisch centra meer dierproeven geregistreerd dan in 2016. De stijging bedroeg 12,8%. In 2017 vonden meer proeven plaats met onder andere zebravissen en muizen. Zebravissen zijn met name gebruikt in onderzoek naar kanker en een incidenteel onderzoek naar hormoonverstorende stoffen op populatieniveau waardoor een groot aantal vissen noodzakelijk was. Voor dit onderzoek waren geen alternatieven methoden voorhanden. De toename van het aantal proeven met muizen is te wijten aan de intensivering van onderzoek naar kanker [2].

 

Proefdieren kunnen meerdere keren per jaar worden gebruikt in dierproeven. Het werkelijke aantal gebruikte proefdieren ligt hierdoor lager dan het aantal dierproeven. In 2017 zijn 11.138 dierproeven geregistreerd waarbij sprake is van hergebruik van proefdieren. Hergebruik vindt met name plaats bij proeven met het doel onderwijs. 

 

De onderstaande visualisatie laat zien dat het in het overgrote deel van het proefdiergebruik gaat om muizen, ratten en vissen. In enkele vakgebieden is onderzoek met niet-humane primaten zoals apen nodig. Onderzoek met niet-humane primaten is in Nederland (en de Europese Unie) aan zeer strikte voorwaarden is gebonden. In enkele vakgebieden, waaronder infectieziekten, het afweersysteem en de hersenen, kan onderzoek met niet-humane primaten niet worden vermeden. Voor dit onderzoek is het namelijk noodzakelijk dat de anatomie en fysiologie van de proefdieren lijkt op die van de mens en zijn er geen alternatieven beschikbaar. Onderzoek met mensapen, zoals chimpansees en gorilla’s, is in Nederland verboden.

 

 

 

De Nederlandse universiteiten vinden het belangrijk om de maatschappij op een zo transparant mogelijke manier in te lichten over het gebruik van proefdieren in hun onderzoek. Alle universiteiten en UMC’s hebben de gedragscode ‘Openheid dierproeven’ ondertekend waarmee inzicht wordt gegeven in het gebruik van proefdieren. Dit gebeurt onder andere via het ‘Jaarverslag dierproeven’ en via publieksvoorlichting, rondleidingen en artikelen.

 

Strenge vergunningen voor verschillende soorten proeven

De overheid handhaaft strenge regels voor dierproeven. Er zijn meerdere soorten vergunningen nodig. Tegelijkertijd stelt de overheid dierproeven verplicht. Een medicijn of product moet veilig zijn voordat het gebruikt mag worden. Dit type testen wordt weinig aan universiteiten in Nederland uitgevoerd. Wel wordt er fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld medicijnen en ziekten. Ook in het onderwijs worden proefdieren gebruikt, bijvoorbeeld in de diergeneeskunde. Het is in de Europese Unie verboden om cosmetica en grondstoffen voor gebruik in cosmetica op dieren te testen.

 

Wetenschap zet in op alternatieven voor dierproeven

Universiteiten werken aan het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven. Zo hebben zij speciale instituten en hoogleraren die zich richten op onderzoek naar alternatieven voor dierproeven en geven voorlichting aan onderzoekers hoe deze alternatieven te gebruiken. Ook maken onderzoekers steeds beter gebruik van bestaande dierproeven door bijvoorbeeld weefsels van gebruikte proefdieren te benutten voor verder onderzoek. Ook worden computermodellen ontwikkeld of worden kunstmatige weefsels gemaakt die proeven kunnen vervangen.

De VSNU is sinds 2019 officieel aangesloten als partner bij het programma Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI). TPI is een initiatief van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) en heeft als doel dat Nederland internationaal voorloper wordt in proefdiervrije innovatie. In het kader van TPI stelt de VSNU een streefbeeld op voor proefdiervrije innovatie in het universitair onderwijs.

 

Het proces van een aanvraag van een dierproef

Voordat een dierproef gedaan kan worden en er proefdieren ter beschikking komen van onderzoek, moeten veel stappen gezet worden. Allereerst moet een instelling een vergunning voor een dierproef aanvragen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Hierna wordt een plan en een niet-technische samenvatting ingediend bij een Instantie voor Dierenwelzijn (IvD). Ook wordt er een vergunning voor de uitvoer van het onderzoek aangevraagd bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). De CCD krijgt advies van een Dierexperimentencommissie (DEC) en besluit vervolgens of er al dan niet een vergunning voor de uitvoering van het onderzoek wordt gegeven. Bij de afweging of toestemming voor de proeven wordt verleend wordt uitgegaan van o.a. het 3V-beleid. In dit beleid wordt vermindering van het gebruik van proefdieren nagestreefd door 1) vervangende alternatieve voor proefdieronderzoek te gebruiken 2) vermindering van het aantal proefdieren, en 3) verfijning, waarbij het onderzoek zodanig wordt opgezet dat het leed of ongemak waaraan het proefdier wordt blootgesteld sterk verminderd wordt. Deze 3V’s worden impliciet ook door de wetgever geëist in het Dierproevenbesluit.

 

 

Na het afgeven van de vergunning kan de onderzoeker de dierproef uitvoeren. De CCD publiceert de niet-technische samenvatting. Tegelijkertijd kan een erkend belanghebbende, zoals de Dierenbescherming, bezwaar maken tegen de vergunning. De NVWA inspecteert of de regels voor dierproeven worden nageleefd. De IvD ziet toe op de juiste uitvoering van het onderzoek en gebruik van de juiste technieken. Wanneer er een overtreding wordt geconstateerd krijgt de vergunninghouder een officiële waarschuwing en moet de overtreding worden opgeheven.

 

Bronnen

1) Aantal dierproeven, https://proefdiervrij.nl/aantal-dierproeven/ (Bron data: NVWA)

2) Zo doende 2017 (NVWA), https://www.universiteitleiden.nl/nieuws/2017/12/zochtocht-naar-fundamentele-inzichten-en-medicijnen-en-tegen-kanker