Print
 
 

Universiteiten gaan zorgvuldig om met dierproeven

Dierproeven spelen een belangrijke rol in onderzoek naar de ontwikkeling van medicijnen en ernstige ziekten bij mensen, maar ook naar vaccins en geneesmiddelen voor dieren.

 

Om te zorgen dat proefdieren alleen gebruikt worden als het strikt noodzakelijk is, hebben universiteiten de afgelopen decennia veel gedaan om het 3V-beleid te implementeren. Dit betekent dat universiteiten waar mogelijk zorgen voor (1) vervangende alternatieven voor proefdieronderzoek, (2) het verminderen van het aantal proefdieren, en (3) de verfijning van het onderzoek waarbij het onderzoek zo diervriendelijk mogelijk wordt opgezet. Daarnaast is de VSNU sinds 2019 officieel […] partner bij het programma Transitie naar Proefdiervrije Innovatie (TPI). In dit programma werken VSNU, NFU, SGF, Proefdiervrij, ZonMW, Health~Holland en de rijksoverheid samen aan de ambitie ‘Nederland als voorloper in de internationale transitie met proefdiervrije innovatie’. Daarnaast zijn de VSNU en NFU in 2019 gezamenlijk een traject gestart om een streefbeeld op te stellen voor proefdiervrije innovaties in het (post)academisch onderwijs.

 

Thema's:

 

 

Het aantal proefdieren neemt af

 
Sinds de jaren 80 is het aantal dierproeven sterk afgenomen (tussen 1978 en 2017 ongeveer 70%) [1].  In 2019 zijn in totaal 399.950 dierproeven uitgevoerd, een lichte daling ten opzichte van 2018. Hiervan vonden 118.732 dierproeven (29,7%) plaats binnen universiteiten en Universitair Medische Centra. Deze getallen komen uit het jaaroverzicht dierproeven en proefdieren 'Zo doende 2019' van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
 
 
 
 

Dierproeven bij universiteiten en Universitair Medische Centra 

 

Het aantal dierproeven verschilt van jaar tot jaar. In 2017 vonden bijvoorbeeld meer onderzoeken plaats met onder andere zebravissen en muizen. Zebravissen werden destijds met name gebruikt in onderzoek naar kanker, en een incidenteel onderzoek naar hormoon verstorende stoffen op populatieniveau. Hiervoor was een groot aantal vissen noodzakelijk en waren geen alternatieve methoden beschikbaar. De toename van het aantal proeven met muizen was te wijten aan de intensivering van onderzoek naar kanker [2]. In 2019 zijn op de universiteiten en Universitair Medische Centra 118.731 dierproeven geregistreerd, een lichte toename (3,2%) ten opzichte van 2018 (115.028). Er vonden in 2019 minder dierproeven plaats met onder andere honden, apen, cavia’s en ratten, maar meer dierproeven met muizen en vissen (niet verder gespecificeerd). 

 

Proefdieren kunnen onder specifieke voorwaarden ingezet worden voor aan meerdere onderzoeken. Het werkelijke aantal proefdieren ligt hierdoor lager dan het aantal dierproeven. In 2019 zijn 7.432 dierproeven geregistreerd waarbij sprake is van hergebruik van proefdieren, 29,4% minder dan in 2018 (10.522). Hergebruik van proefdieren vindt met name plaats bij proeven met het doel onderwijs.

 

De onderstaande tabel laat zien dat het in veruit het grootste deel van het proefdiergebruik gaat om muizen. 
In enkele vakgebieden is onderzoek met niet-humane primaten nodig, omdat zij veel overeenkomsten vertonen met mensen. Onderzoek met niet-humane primaten is in Nederland (en de Europese Unie) aan zeer strikte voorwaarden gebonden. In enkele vakgebieden, waaronder infectieziekten, het afweersysteem en de hersenen, kan onderzoek met niet-humane primaten niet worden vermeden. Voor dit onderzoek is het namelijk noodzakelijk dat de anatomie en fysiologie van proefdieren lijkt op die van de mens, en hiervoor zijn nog geen alternatieven beschikbaar. Onderzoek met mensapen, zoals chimpansees en gorilla’s, is in Nederland verboden.

 
 
 

De Nederlandse universiteiten vinden het belangrijk om de maatschappij op een zo transparant mogelijke manier te informeren over het gebruik van proefdieren in hun onderzoek. Alle universiteiten en UMC’s hebben de gedragscode ‘Openheid dierproeven’ ondertekend, waarmee inzicht wordt gegeven in het gebruik van proefdieren. Dit gebeurt onder andere via het ‘Jaarverslag dierproeven’ en via publieksvoorlichting, rondleidingen en artikelen.

 

Strenge vergunningen voor verschillende soorten proeven

 

Het is in de Europese Unie verboden om cosmetica en grondstoffen voor gebruik in cosmetica op dieren te testen. Ook de Nederlandse overheid handhaaft strenge regels voor dierproeven. Er zijn meerdere soorten vergunningen nodig. Tegelijkertijd stelt de overheid dierproeven verplicht. Een medicijn of product moet veilig zijn voordat het gebruikt mag worden. Dit type testen wordt weinig aan universiteiten in Nederland uitgevoerd. Bij universiteiten wordt voornamelijk fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld medicijnen en ziekten. Ook in het onderwijs worden proefdieren gebruikt, bijvoorbeeld in de diergeneeskunde. 

 

Wetenschap zet in op alternatieven voor dierproeven

Universiteiten werken aan het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven. Zo hebben zij gespecialiseerde instituten en hoogleraren die zich richten op onderzoek naar alternatieven voor dierproeven en voorlichting geven aan onderzoekers hoe deze alternatieven te gebruiken. Ook maken onderzoekers steeds beter gebruik van bestaande dierproeven door bijvoorbeeld weefsels van gebruikte proefdieren te benutten voor verder onderzoek. Daarnaast worden computermodellen ontwikkeld en worden kunstmatige weefsels gemaakt die dierproeven kunnen vervangen.
De VSNU is sinds 2019 officieel aangesloten als partner bij het programma Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI). TPI is een initiatief van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) en heeft als doel dat Nederland internationaal voorloper wordt in proefdiervrije innovatie. In het kader van TPI stelt de VSNU in samenwerking met de NFU een streefbeeld op voor proefdiervrije innovatie in het (post)academisch onderwijs. 

 

Het proces van een aanvraag van een dierproef

Voordat een dierproef gedaan kan worden en er proefdieren ter beschikking komen van onderzoek, moeten een aantal stappen worden gezet. Allereerst moet een instelling een vergunning voor een dierproef aanvragen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Hierna wordt een plan en een niet-technische samenvatting ingediend bij een Instantie voor Dierenwelzijn (IvD). Ook wordt er een vergunning voor de uitvoer van het onderzoek aangevraagd bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). De CCD krijgt advies van een Dierexperimentencommissie (DEC) en besluit vervolgens of er al dan niet een vergunning voor de uitvoering van het onderzoek wordt gegeven. Bij de afweging of toestemming voor de proeven wordt verleend wordt uitgegaan van o.a. het 3V-beleid. In dit beleid wordt vermindering van het gebruik van proefdieren nagestreefd door 1) vervangende alternatieve voor proefdieronderzoek te gebruiken 2) vermindering van het aantal proefdieren, en 3) verfijning, waarbij het onderzoek zodanig wordt opgezet dat het leed of ongemak waaraan het proefdier wordt blootgesteld sterk verminderd wordt. Deze 3V’s worden impliciet ook door de wetgever geëist in het Dierproevenbesluit.



 

 

Na het afgeven van de vergunning kan de onderzoeker de dierproef uitvoeren. De CCD publiceert de niet-technische samenvatting. Tegelijkertijd kan een erkend belanghebbende, zoals de Dierenbescherming, bezwaar maken tegen de vergunning. De NVWA inspecteert of de regels voor dierproeven worden nageleefd. De IvD ziet toe op de juiste uitvoering van het onderzoek en gebruik van de juiste technieken. Wanneer er een overtreding wordt geconstateerd krijgt de vergunninghouder een officiële waarschuwing en moet de overtreding worden opgeheven.

 

Bronnen

[1] https://proefdiervrij.nl/aantal-dierproeven/   (Bron data: NVWA)
[2] 'Zo doende 2017',NVWA en https://www.universiteitleiden.nl/nieuws/2017/12/zoektocht-naar-fundamentele-inzichten-en-medicijnen-tegen-kanker
[3] ‘Zo doende 2018’, NVWA