Print
 
 

Nieuwsberichten

Reactie van de Vereniging van Universiteiten op de protesten van studenten en universitair medewerkers

Reactie van de Vereniging van Universiteiten op de protesten van studenten en universitair medewerkers

Binnen en buiten de Nederlandse universiteiten wordt een levendig debat gevoerd over de onvrede bij een groep studenten, docenten en medewerkers over de ontwikkelingen binnen de universiteiten. Vandaag vinden op verschillende instellingen eveneens debatten plaats. De onvrede spitst zich toe op wat wordt beschouwd als een 'vermarkting' van de universiteiten, waarbij te veel naar meetbare criteria en prestaties zou worden gekeken, en te weinig naar kwaliteit, Bildung en maatschappelijke relevantie.

De discussie spitst zich toe op vijf grote thema's (zie onder voor verdere toelichting):
1.    het meten en beoordelen van prestaties in onderwijs en onderzoek;
2.    zeggenschap en medezeggenschap;
3.    de wijze van bekostiging;
4.    de plaats van de academicus en zijn of haar loopbaan;
5.    de bureaucratisering.

De besturen van universiteiten vinden dit relevante thema’s, anticiperen hierop binnen de instellingen en herkennen de zorgen die hierover worden geuit. Zij hebben de verantwoordelijkheid om in goede afstemming met alle stakeholders en hun vertegenwoordigers een duurzaam, democratisch en bij het tijdsbeeld passend universitair model aan te sturen. Onder de stakeholders vallen uiteraard de studenten en het wetenschappelijk personeel, maar ook de overheid (nationaal en regionaal), het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en de Nederlandse belastingbetaler als voornaamste financier. Een goede balans van checks en balances door alle stakeholders is van groot belang. Eenzijdige prikkels moeten worden voorkomen. De academische cultuur en de kwaliteit van onderwijs en onderzoek staan vanzelfsprekend voorop. Hierover willen de besturen permanent in gesprek blijven.

Daarnaast zullen de universiteiten, rekening houdend met onderlinge verschillen:

  • investeren in de kwaliteit van het onderwijs;
  • maximale ruimte geven aan loopbaanmogelijkheden van jonge onderzoekers en gepromoveerden, (zie de recente cao-afspraken);
  • onderwijs en onderzoek voortdurend in de juiste balans houden en waar nodig opnieuw definiëren;
  • de interne toezichts- en verantwoordingslast verminderen en meer baseren op vertrouwen;
  • werken aan de medezeggenschap en waar nodig de verbinding met de groep studenten en docenten/onderzoekers in de breedte verbeteren.


Voor sommige zaken is landelijk beleid nodig, en is de overheid aan zet. Universiteiten zullen de volgende punten nogmaals en met nog meer nadruk onder de aandacht brengen van de minister, de staatssecretaris en de Tweede Kamer:

  • Maak het bekostigingsstelsel minder afhankelijk van getalsmatige criteria.
  • Onderken en erken de daling van de vergoeding per student en trek daar consequenties uit.
  • Breng getalsmatige afspraken over de prestaties in het onderwijs terug tot de meest essentiële en effectieve parameters.
  • Onderken het belang van vrij onderzoek en bied daar ruimte voor.
  • Verminder de toezichts- en verantwoordingslast.
  • Werk op basis van vertrouwen en niet op basis van controledrift.


Karl Dittrich, voorzitter VSNU 

Toelichting op de thema’s:

1.    Het meten en beoordelen van prestaties in onderwijs en onderzoek
Het kan niet worden ontkend dat een deel van de universiteiten in de laatste decennia van de 20ste eeuw eigenlijk onvoldoende presteerde als het ging om de aantallen geslaagden en de benodigde studietijd. Dat is ook de reden dat vanaf 2007 met succes is gewerkt aan prestatieverbetering, door enerzijds meer structuur in het onderwijs aan te brengen en anderzijds meer eisen te gaan stellen aan de inspanningen en resultaten van studenten. Allerlei maatregelen, die ook politiek breed gedragen werden, zijn genomen om het aantal afgestudeerden en de snelheid van afstuderen te vergroten. En met goede resultaten. De toegenomen aandacht voor studiesucces heeft geleid tot het opstellen van prestatieafspraken met de overheid die de indruk hebben gewekt dat universiteiten alleen nog maar op rendement sturen. Ook al is die perceptie onjuist, het is duidelijk dat er een nieuwe balans moet komen tussen sturen op output en het bewaken van de kwaliteit van de inhoud. De animo van universiteiten om opnieuw te gedetailleerde prestatieafspraken te maken is dan ook klein.

In de beoordeling van onderzoek wordt te veel gekeken naar citatiescores, naar impactgetallen van tijdschriften en naar productiviteit. Er wordt gesteld dat daarmee onrecht wordt gedaan aan een aantal wetenschapsgebieden. Daarnaast zou de vraag naar 'valorisatie' van kennis een te eenzijdige nadruk op de economische betekenis hebben gekregen, terwijl het evident is dat de waarde van veel onderzoek een veel bredere impact heeft. De universiteiten hebben deze kritiek ter harte genomen en hebben in het nieuwe evaluatieprotocol voor onderzoekskwaliteit (SEP) veranderingen aangebracht om aan deze terechte verwijten tegemoet te komen. Het uitgangspunt daarbij is dat meer publicaties en citaties niet per se beter is en dat kwaliteit leidend moet zijn.

2.    Zeggenschap en medezeggenschap
Dialoog en discussie, formeel en informeel, horen bij uitstek thuis binnen de academische gemeenschap. Op alle niveaus binnen de instellingen zijn raden en commissies ingesteld waarin alle geledingen van de universiteiten zijn vertegenwoordigd. De zeggenschap en medezeggenschap zijn in beginsel goed vastgelegd, maar kunnen in hun uitwerking per instelling nog verbeterd worden. Geconstateerd wordt dat er niet overal evenveel belangstelling voor is om deze posities in te vullen en dat niet alle medewerkers en studenten zich voldoende gehoord voelen bij belangrijke aangelegenheden binnen de universiteit. Universiteiten realiseren zich dat terdege en hebben daar ook zeker oog voor. Er moet volop aandacht blijven voor het betrekken van medewerkers en studenten bij beraadslagingen binnen die formele kaders van raden en commissies. Voor een universitair, facultair of enig ander bestuur binnen de universiteit is draagvlak voor besluiten en richtingen immers onontbeerlijk. Naast de formele en al bestaande kaders gaat het ook om een belangrijke informele cultuur van inspraak.

3.    De wijze van bekostiging
De bekostiging van universiteiten door de overheid, de zogenaamde rijksbijdrage, is gebaseerd op studentenaantallen, diploma's en aantallen promoties, naast een vaste voet voor infrastructuur en onderzoek. De universiteiten zijn sinds 1995 zelf volledig verantwoordelijk voor hun huisvesting en infrastructuur, maar krijgen daarvoor structureel te weinig middelen. Daarnaast moeten steeds meer onderzoeksmiddelen in competitie worden verworven en moeten aan succesvolle aanvragen behoorlijke eigen bijdragen (‘matching’) worden toegevoegd uit het eigen instellingsbudget. Tezamen met de groei van het studentenaantal en de succesvolle verwerving van Europese onderzoeksmiddelen leidt dat tot een forse druk op de universitaire begroting, temeer omdat de vergoeding per student al jaren achtereen daalt. Door de bekostiging op aantallen studenten, diploma's en promoties wordt de indruk gewekt dat universiteiten met elkaar moeten concurreren op deze indicatoren, wat leidt tot verwijten over 'perverse prikkels'.

4.    De plaats van de academicus en zijn of haar loopbaan
De achterblijvende eerste geldstroom en de toenemende concurrentie om onderzoeksmiddelen hebben ertoe geleid dat een steeds groter deel van het personeelsbestand van universiteiten bestaat uit tijdelijke aanstellingen: voor aio's, postdocs en tenure tracks is dat inmiddels een normaal gegeven, maar voor andere groepen binnen de instellingen is 'tijdelijkheid' minder vanzelfsprekend. In de onlangs afgesloten cao hebben universiteiten met de vakbonden afgesproken om het aantal tijdelijke aanstellingen terug te brengen en meer aandacht te schenken aan alternatieve carrièremogelijkheden voor gepromoveerden en postdocs die niet aan de universiteit kunnen of willen blijven. Het werkgeverschap voor deze groep medewerkers wordt dus geïntensiveerd, wat tot nieuw beleid binnen de instellingen zal leiden.

5.    De bureaucratisering
De toezichts- en verantwoordingsprocessen binnen de universiteiten zijn te omvangrijk en te formalistisch geworden. De toegenomen werkdruk en regeldruk leiden docenten en onderzoekers af van hun kerntaken op onderwijs en onderzoek.
De beoordelingsprocessen van onderwijs zijn hier een goed voorbeeld van. Nederland kent met de instellingsaudit en de opleidingsaccreditatie een van de strengste beoordelingsstelsels ter wereld, zo niet het allerstrengste. Ons kwaliteitszorgsysteem is echter op sommige punten verworden tot een bureaucratisch instrumentarium dat belemmert dat docenten en studenten een relevante dialoog voeren over de kwaliteit van een opleiding. Het heeft geleid tot een routineuze en afstandelijke cultuur waarin een open gesprek over verbeterpunten naar de achtergrond is geraakt. Ofschoon de oorspronkelijke doelstelling goed was, wordt er onvoldoende eigenaarschap van het accreditatiestelsel gevoeld. Verandering is nodig. De overheid erkent dit, deels. De minister stelt doelen om de bureaucratische lasten te verminderen en rekent de universiteiten zelfs af op het verminderen van de overhead. Tegelijkertijd neemt de politieke druk om meer toezicht, meer transparantie en meer verantwoording steeds verder toe. De juiste balans tussen verantwoording en vertrouwen is hier de kern van de zaak.