Print
 
 

Universiteiten staan voor toegankelijkheid van het wetenschappelijk onderwijs

 

Het Nederlandse hoger onderwijs is breed toegankelijk. Het uitgangspunt is: de juiste student op de juiste plek. Iedere vwo-student kan terecht op een bacheloropleiding aan een Nederlandse universiteit. Niet afkomst of achtergrond, maar de talenten en capaciteiten van studenten moeten bepalen welke opleiding zij kunnen volgen. 

 

Op dit moment is er in de politiek veel aandacht voor toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Universiteiten zorgen ervoor dat zij toegankelijk zijn en dat er voor elke aspirant-student een plek is op de universiteit. In deze factsheet lichten we toe hoe zij dit doen.

 

Universiteiten bedienen met hun beleid zoveel mogelijk drie doelen: kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid. Hieronder wordt  de toegankelijkheid van universiteiten daarom in samenhang bekeken met kwaliteit en doelmatigheid.

 



Nederlands hoger onderwijs is toegankelijk

Uit de In- en doorstroommonitor 2008-2017 van de Inspectie van het Onderwijs en de Monitor Beleidsmaatregelen 2017-2018 van ResearchNed blijkt dat de algehele toegankelijkheid op universiteiten goed geborgd is. Studenten weten hun weg naar bachelor- en masteropleidingen te vinden: steeds meer studenten volgen een ho-opleiding en elke student met een bachelordiploma kan een masteropleiding volgen. Universiteiten werken onder andere aan toegankelijkheid en kansengelijkheid met:

  • pre-university programma’s, waarbij scholieren kennismaken met de universiteit;
  • matching, waardoor aankomend studenten voordat zij met een studie beginnen een goede inschatting kunnen maken of deze studie bij hen past;
  • intensieve studentbegeleiding, bv. in de vorm van mentorgroepen;
  • onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring over inclusief toelatingsbeleid.

 

 

Kansengelijkheid

Vergeleken met andere Europese landen zijn de verschillen tussen verschillende groepen studenten in het Nederlandse hoger onderwijs klein. Een voorbeeld hiervan is in de grafiek hieronder te zien: in geen enkel ander land behalen zoveel jongeren uit gezinnen met een laag inkomen een diploma in het hoger onderwijs. 

 

 

De Inspectie van het onderwijs en ResearchNed concluderen beiden dat de verschillen tussen doelgroepen studenten in hun toegang tot het hoger onderwijs weliswaar klein zijn, maar ook dat het lastig blijkt om ze op te heffen. Het gaat hierbij met name om studenten met een niet-westerse migratieachtergrond, studenten met ouders met een lager(e) opleiding en/of inkomen, en studenten met een functiebeperking. Deze verschillen ontstaan waarschijnlijk niet zozeer in het hoger onderwijs, maar vooral al eerder in de onderwijsloopbaan van scholieren. 

 

Daarom hebben universiteiten specifieke programma’s gericht op eerstegeneratiestudenten, zoals ‘Better Prepared’ van de Vrije Universiteit. Ook bieden universiteiten schakeltrajecten aan waarmee studenten kunnen doorstromen naar een hoger onderwijsniveau. In dit verband is het relevant om te vermelden dat universiteiten minder geld krijgen voor studenten die al stapelend de universiteit bereiken. Schakeltrajecten vervullen een belangrijke rol in de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Universiteiten pleiten dan ook voor betere bekostiging van schakeltrajecten. 

 

Inmiddels zijn er voor specifieke groepen ook positieve trends zichtbaar: studenten met een niet-westerse migratieachtergrond lijken bijvoorbeeld een kleine inhaalslag te maken in de doorstroom naar masters met aanvullende toelatingseisen, en eerstegeneratiestudenten hebben net zo veel kans om toegelaten te worden als tweedegeneratiestudenten.

 

Betaalbaar onderwijs van goede kwaliteit

Universiteiten sturen met hun beleid op onderwijs dat toegankelijk, van hoge kwaliteit en doelmatig is. Sommige van deze beleidsmaatregelen – Numerus fixus, BSA en toelatingsbeleid - zijn de laatste tijd onderwerp van maatschappelijk en politiek gesprek geweest vanuit het oogpunt van toegankelijkheid. Dit geldt ook voor het thema studentenwelzijn. Hieronder gaan we in op deze onderwerpen vanuit de context van het ‘trilemma’ van kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid.

 

Numerus fixus

Het instrument numerus fixus bestaat om de kwaliteit te waarborgen, als de instroom hoger dreigt te worden dan de capaciteit die de opleiding aankan. In collegejaar 2017-2018 hebben 47 van de 421 bacheloropleidingen aan universiteiten een numerus fixus (zie grafiek hieronder). Zij stellen een numerus fixus alleen in als dit nodig is: bijvoorbeeld als er beperkte labruimte is of een vast aantal stageplekken. De minister kan een numerus fixus instellen als dit vanwege de arbeidsmarkt noodzakelijk is.


Een numerus fixusopleiding stelt de maximale capaciteit vast en rankt studenten op basis van eerder vastgestelde selectiecriteria. De kansengelijkheid mag niet lijden onder de selectieprocedures bij numerus fixusopleidingen. Daarom wisselen universiteiten kennis en ervaring uit over inclusieve toelatingsprocedures en om zelfselectie onder bepaalde groepen studenten te voorkomen. 
 

 

BSA
Universiteiten zetten het bindend studieadvies (BSA) in het eerste jaar in om te zorgen dat het op tijd duidelijk wordt als studenten niet op de juiste plek zitten. De meeste opleidingsnormen voor het BSA liggen tussen de 42 en 48 ECTS. Als student moet je dan dus driekwart van je vakken halen in het eerste jaar. Elke opleiding combineert het BSA met studentbegeleiding en vroegtijdige, frequente informatie aan studenten. Als de norm relatief hoog ligt, combineren zij dit vaak met beleid om te zorgen dat studenten de norm ook goed kunnen halen (bv. een extra herkansing of de mogelijkheid om te compenseren met een goed cijfer).

 

Uit onderzoek dat universiteiten naar hun eigen beleid hebben gedaan blijkt dat:

  • de totale uitval in opleidingen niet is afgenomen: de uitval vindt vooral eerder plaats (in het eerste i.p.v. tweede of derde jaar);
  • heel weinig studenten met een negatief BSA nét onder de norm zitten. Als studenten de norm niet halen, zitten ze er meestal zeer ruim onder;
  • de normen voor BSA verschillen, omdat de opleidingen en de typen studenten op de opleidingen verschillen.

 

Toelating tot de master

De bachelor-master structuur en het geprofileerde masterlandschap leiden tot meer keuze en flexibilisering in het hoger onderwijs. Een bacheloropleiding geeft niet meer toegang tot één masteropleiding, maar vaak tot meerdere. Studenten maken gebruik van deze toegenomen keuzevrijheid en kiezen steeds vaker voor een masteropleiding aan een andere universiteit en/of in een andere sector: 18% van de studenten ging in 2017 na de bachelor een master aan een andere instelling volgen, terwijl dit in 2007 nog maar 7% was. Ook de mobiliteit tussen sectoren neemt toe: van 6 procent naar 13 procent in 2017. Het expliciet formuleren van toelatingseisen is daarmee belangrijker geworden.


De Inspectie van het onderwijs benoemt in het onderzoek “De master van jouw keuze?” een aantal aandachtspunten voor betere voorlichting en afstemming. De universiteiten hebben deze aanbevelingen ter harte genomen. Zij werken in de VSNU-taskforce ‘Toelating Master’ in samenwerking met ISO en LSVb aan vervroegde, heldere voorlichting voor bachelorstudenten en voeren onderling het gesprek over toelatingsbeleid. 


Afhankelijk van de gehanteerde definitie selecteert 10% (capaciteitsbeperking) of 30% (aanvullende eisen voor alle groepen) van de masteropleidingen in Nederland. Dit mag de brede toegankelijkheid van het stelsel niet in de weg staan. Universiteiten staan ervoor dat een student met een universitair bachelordiploma in Nederland altijd een masteropleiding kan doen. Het zou kunnen gebeuren dat een student dreigt nergens toegelaten te worden tot een masteropleiding. De universiteiten hebben afgesproken dat zij in zo’n geval met de student zoeken naar een passende masteropleiding in de betreffende discipline. Per oktober 2018 is er nog geen student geweest voor wie dit nodig was.

 

Studentenwelzijn

Universiteiten zetten zich zowel afzonderlijk als gezamenlijk in voor studenten met een extra ondersteuningsvraag. Deze vraag kan bestaan vanwege belemmeringen als gevolg van een functiebeperking, chronische ziekte of psychische klachten, vanwege zwangerschap en jong ouderschap, vanwege behandeling in verband met gendertransitie of vanwege bijzondere familieomstandigheden, zoals mantelzorg.

 

Om deze studenten te helpen, formuleert de VSNU in 2018 brede, meerjarige ambities. Dit doet zij in een brede werkgroep met OCW, de studentenbonden, de Vereniging Hogescholen en Expertisecentrum Handicap + Studie. Ambities zijn onder meer de continue aandacht voor bekwaamheid bij docenten, studentbegeleiders en examencommissies, een volledige en laagdrempelige informatievoorziening, en een intensivering van de financiële ondersteuning. Deze ambities biedt de werkgroep eind 2018 aan de Minister aan. Ze zijn gekoppeld aan een meerjarig programma dat Expertisecentrum Handicap + Studie per collegejaar 2018/19 ondersteunt. 

 

Enkele andere relevante maatregelen om te noemen:

  • Studenten met een functiebeperking of psychische problemen kunnen bij studievertraging een beroep doen op een financiële tegemoetkoming uit het profileringsfonds van hogescholen en universiteiten. In het Regeerakkoord is hiervoor structureel € 2 mln. extra beschikbaar gesteld. 
  • Studentenwelzijn is één van de prioriteiten van het Comeniusprogramma 2019. Voor deze onderwijsinnovatieprojecten is € 1,5 mln. beschikbaar gesteld. 
  • Hogescholen en universiteiten kunnen , in het kader van de kwaliteitsafspraken, inzetten op studentbegeleiding, gericht op het verbeteren van studentenwelzijn.
  • Het programma ‘Caring Universities’ van de VU is een mooi voorbeeld. Bij dit preventieve e-health interventieprogramma voor studenten met (een risico op) psychische klachten sluiten steeds meer (ook internationale) universiteiten zich aan.

 

 

De combinatie van bovenstaande factoren en instrumenten leidt ertoe dat de Nederlandse universiteit, zeker in internationaal perspectief, zeer toegankelijk is. Dat is voor de universiteiten ook een belangrijke ambitie. Ook in de komende jaren zetten de universiteiten zich ervoor in om elke student op de juiste plek te krijgen.